Molenzorg
Mendonk (Gent), Oost-Vlaanderen
Naam

Westmeersmolen

Ligging Oostdonkstraat
9042 Mendonk (Gent)

nabij de Zuidlede
2,2 km O v.d. kerk
kadasterperceel B126


toon op kaart
Geo positie 51.149086, 3.837829
Eigenaar Privaat
Gebouwd 1819
Type Stenen grondzeiler
Functie Poldermolen met scheprad
Kenmerken Nog verticaal gehalveerde molenromp...
Gevlucht/Rad Verwijderd
Inrichting Verwijderd
Toestand Enkel nog muurfragment
Bescherming ---,
Niet beschermd, wel beschermenswaard als relict
Molenaar Geen
<p>Westmeersmolen</p>

Foto: Lieven Denewet  

Beschrijving / geschiedenis

De Westmeersmolen is een ronde stenen poldermolen met scheprad in de Oostdonkstraat bij de Zuidlede. Op de kaart van Vandermaelen (ca. 1850) is deze windmolen aangegeven als "Westmeerschmolen", vanwege zijn ligging op de Westmeers

Samen met de stenen achtkante romp van de Hoosmolen te Drongen is dit het laatste overblijfsel van een poldermolen in Oost-Vlaanderen.

Dit poldergemaal werd in 1819 opgetrokken naast de Zuidlede, en via een afwateringssysteem werd het polderwater afgevoerd naar de Durme. De bemaling gebeurde door middel van een vijzel.

Bouwheer was Ferdinand Ottevaere, bekend advocaat te Gent. Tot aan de Franse Revolutie bleven de meersen langs de Zuidlede in Mendonk eigendom van het kapittel van Sint-Baafs te Gent. In 1798 werden de goederen van het kapittel geconfisqueerd en openbaar verkocht. De bezittingen van de abdij tussen de Moervaart en de Zuidlede werden grotendeels opgekocht door twee rijke Gentenaars, de handelaar Philippe Jacques Van Overloop (1756-1845) en de advocaat Ferdinand Ottevaere (1766-1863).  

Philippe Jacques Van Overloop werd in 1808 werd "mair"e van Mendonk, een functie die hij behield in de Hollandse Tijd (1815-1830) en onder het jonge België. Omstreeks 1810 liet hij op de oever van de Zuidlede aan de Puyenbrug een buitenverblijf bouwen. Achter deze gebouwen liet hij omstreeks 1812 een landschappelijk park aanleggen. Na zijn overlijden in 1845 werd hij als burgemeester opgevolgd door zijn zoon François Jean (1780-1862).    Ferdinand Ottevaere begon zijn carrière als advocaat bij de Raad van Vlaanderen, nog tijdens het Ancien Régime. In de Franse Tijd maakte hij een fortuin door het opkopen van genationaliseerde kerkelijke bezittingen. Zo kocht hij o.m. het voormalige kasteel van de bisschop van Gent in Evergem.   In 1798 kocht hij voor ruim een miljoen Franse frank 90 hectaren sompige meersen tussen de Zuidlede en de Oostdonk in Mendonk. Later kocht hij nog percelen bij.   Vanaf 1819 liet hij grote werken in zijn hooilanden langs de Zuidlede uitvoeren. Die hadden namelijk een lagere opbrengst dan de hooilanden langs de Moervaart, die als de beste van Mendonk golden. Sommige meersen langs de Zuidlede werden bijna nooit overstroomd waardoor ze te mager waren, andere stonden meer dan acht maanden per jaar onder water. Ottevaere liet daarom een nieuw irrigatie- en drainagesysteem aanleggen, met een bijbehorend windgemaal.   Met enorme kosten nivelleerde hij deze gronden en voorzag ze in 1819 van irrigatie- en drainagesysteem, met een bijbehorend windgemaal: een ronde stenen grondzeiler met scheprad.   Deze molen op de Westmeers, vandaar de naam Westmeersmolen, voerde het water op van de Zuidlede naar een spaarbekken ("bassin d'inondation") tussen dijken van vijf voet hoog. Vandaar werd het water via vier sluizen over de hooilanden verdeeld, via een netwerk van sloten. Het hele gebied werd genivelleerd en onderverdeeld in bedijkte compartimenten, die onderling verbonden waren maar afzonderlijk bevloeid konden worden. De molen werd bijvoorbeeld voor de afvoer ingeschakeld als het water van de Zuidlede hoger stond dan het maaiveld. De molen kon de gronden eveneens droogleggen.   Vanaf de eerste jaren zag Ottevaere de resultaten van zijn investering. Door het vruchtbare slib dat uit de Sassevaart aangevoerd werd, werden de velden van betere kwaliteit en werden de weiden minder zuur.   De vloeiweiden werden voor het eerst beschreven door graaf de Kerchove d’Exaerde, in een artikel gepubliceerd in het novembernummer van de "Annales belgiques des sciences, des lettres et des arts" (1819).   Ferdinand Ottevaere zelf publiceerde in 1823 een artikel in het tijdschrift "Journal d’agriculture, d’économie rurale et des manufactures du Royaume des Pays-Bas", waarin hij het succes van zijn project wereldkundig maakte. Hij voorspelde dat zijn vloeiweiden in drie of vier jaar dezelfde waarde zouden hebben als de beste hooilanden langs de Schelde. Hij schreef dit succes toe aan het vruchtbare slib in het water van de Zuidlede, dat afkomstig was uit de Sasse Vaart. Allicht verwachtte hij dat er nog meer slib zou worden aangevoerd na de ingebruikname van het nieuwe kanaal Gent-Terneuzen, waarvoor de plannen toen in voorbereiding waren. Over de molen schreef hij: "On a calculé, avec assez de précision, qu’au moment d’un bon vent, la roue à palettes peut élever à six pieds au-dessus du niveau de la rivière, 500 tonnes d’eau de cinq pieds et demi cube chacune, par minute. Ce moulin a cet avantage sur ceux de la Hollande, qu’il peut tourner avec un moindre vent, parce qu’on adapte facultativement le volume d’eau qui est relatif à la force motrice".   In de "Dictionnaire Géographique de la Flandre Oriëntale" (1834) van Philippe Vandermaelen (1834)  werd de pompmolen beschreven. Daarin werd vooral de nadruk gelegd op de wateropvoerende functie voor het bevloeien van de weiden, niet zozeer voor het droogleggen ervan (dat zou slechts sporadisch nodig zijn geweest).     Ferdinand Ottevaere kwam geregeld in aanvaring met diverse overheden. Hij had een notoir slechte verstandhouding met de burgemeester van Mendonk, Philippe Jacques Van Overloop. In 1820 liet hij twee grachten graven dwars door de trekweg langs de Zuidlede die van Mendonk naar Zaffelare liep. Deze weg was tevens de kortste weg tussen het Oostdonkhof (dat toebehoorde aan de burgemeester) en het dorp99. In 1834 ontstond er een conflict over de brug van Mendonk. Deze houten draaibrug behoorde vroeger toe aan de Sint-Baafsabdij en was nu in het bezit van Ottevaere. De gemeente vond dat hij de onderhoudskosten moest dragen, maar Ottevaere was daar niet toe bereid. Zijn voorstel om de brug te vervangen door een liggende brug, werd door de gemeente afgewezen. Daarop liet hij de draaibrug afbreken zonder ze te vervangen. De districtcommissaris van Gent vermoedde dat Ottevaere dit alleen maar had gedaan om de burgemeester een hak te zetten (bijlage 7).   In 1852 ontstond er een polemiek tussen Ottevaere en J. Wolters, directeur van het bestuur van Bruggen en Wegen in Oost-Vlaanderen, naar aanleiding van een plan voor de bouw van een sluis bij de samenvloeiing van de Moervaart en de Zuidlede in Daknam. Beide partijen publiceerden mémoires om de publieke opinie voor hun standpunt te winnen. 

Na de dood van Ferdinand Ottevaere in 1863 raakte de molen in verval. Op 26 maart 1889 werden de gronden van de families Van Overloop en Ottevaere verkocht aan de textielbaronnen Breuvart en Tiberghien uit Tourcoing. De nieuwe eigenaars gebruikten het gebied als jachtdomein. De weiden en meersen verpachtten ze aan veehandelaars, die hier hun runderen vetmestten.

De ongebruikte molen werd in 1896 in het kadaster als "puin" omschreven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikten de Duitsers hem als schietschijf. Na de oorlog kwamen boeren er stenen halen om stallen te bouwen en wegen te verharden.

Er is ons geen afbeelding van de molen bekend toen hij nog in volledige toestand was.

Thans rest alleen nog een verticaal gehalveerde molenromp. Het scheprad bevond zich aan de verdwenen zuidkant van het gebouw. Het molenrestant staat thans in een prachtig natuurdecor en verdient een wettelijke bescherming als relict, omwille van een boeiend stukje 19de-eeuwse ontginningsgeschiedenis.

Opeenvolgende eigenaars:
- 1819, opbouw: Ottevaere Ferdinand, advpcaat en later rentenier te Gent
- 24.11.1863, erfenis: Larcher-Ottevaere Alexander, de weduwe, eigenares te Gent (overlijden van Ferdinand Ottevaere - watermolen)
- 17.12.1864, erfenis: Larcher Ferdinand, advocaat te Parijs (overlijden van de weduwe Ottevaere van Alexander Larcher)
- 26.03.1889, verkoop: Breuvart-Motte Alfred, nijveraar te Armentières (notaris Rombaut)
- 29.04.1912, erfenis: de kinderen (overlijden van Alfred Breuvart)
- 27.10.1913, gift: (voor vruchtgebruik) Breuvart-Motte, de weduwe en (voor naakte eigendom) de kinderen (kinderen: a) Breuvart-de Lattre Alfred, nijveraar te Armentières (F), b) Breuvart Louise, echtgenote Thiberghien Emile, nijveraar te Tourcoing (F) en c) Breuvart Gabrielle, echtgenote Eloy Emile, nijveraar te Tournai (onderhandse akte)
- 05.05.1944, einde vruchtgebruik: de kinderen: a) Breuvart-de Lattre Alfred, nijveraar te Armentières (F), b) Breuvart Louise, echtgenote Thiberghien Emile, nijveraar te Tourcoing (F) en c) Breuvart Gabrielle, echtgenote Eloy Emile, nijveraar te Tournai (overlijden van de weduwe)
- 10.02.1958, deling: Eloy-Breuvart Emile Louis Marie, nijveraar te Marcq-en-Baroeul (F) (notaris Thevelin)

Lieven DENEWET & Herman HOLEMANS

<p>Westmeersmolen</p>

Foto: Theo Hullebroeck, 24.01.2014

<p>Westmeersmolen</p>

Foto: Arthur Lebacq, 30.04.2009

<p>Westmeersmolen</p>

Foto: Maarten Osstyn, Adegem, 26.09.2009

<p>Westmeersmolen</p>

Foto: Maarten Osstyn, 26.09.2009

<p>Westmeersmolen</p>

Foto: Maarten Osstyn, 26.09.2009

Aanvullende informatie

Uittreksel uit het register van de processen-verbaal van de gemeente Mendonk  (21 mei 1819)
Extract uyt den register der processen verbael van het plaetselijck bestuur van Mendonk
Rijksarchief Beveren-Waas, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/9. 
 
In den jaere duyzend acht honderd negentien, den 21e der maend van mey.
 
Wij Borgemeester, Adjoint en Commissarissen der Gemeynte van Mendonck, Canton van Loochristi, Provincie van Oostvlaanderen.
 
Gezien de declaratie, gedaan in het Gouvernement dezer Provincie, door M. Ferdinand Ottevaere, proprietaris woonende tot Parijs, uyt welke blijkt dat hij van intentie is te verbeteren alle zijne meerschen, gelegen binnen deeze gemeynte – deze proprietijten zijn gelegen tusschen en daer onder begrepen de Zuydleede, de brugge van Mendonck, en de hofstede bewoond door J.B.te De Kesel, palende zuyd de gemelde Zuydleede, oost den Wagtebeeckschen Dam, noord de dreve van Mendonck en west de hofstede van J.B.te De Kesel voorzeyd – bij middel van gragten, ophoogingen en aenmerkelijke verheffingen, als ook door eene overgroote deykagie, maeken van verscheyde bruggen en sluyzen, eenen bassin van overstroominge, en eyndelinge door het stellen van eenen steenen water-molen.
Gezien den artikel 116 der wet van den 3en frimaire jaer 7, inhoudende dat de zetting der landen dewelke verslegten sedert tien jaeren en dewelke verbetert worden, niet en zullen mogen vermeerdert worden in grond-lasten geduerende de dertig eerste jaeren van verbeternisse, zoo oordelen wij dat de declaratie van Mijnheer Ottevaere in de waerheyd bestaet, en dat zijnen gezeyde proprieteyt niet en mag vermeerdert worden in revenu gedurende de dertig eerstkomende jaeren.
Eene copije van het tegenwoordig proces-verbael zal gedurende twintig daegen aengeplakt blijven, binnen de gemeynten van Mendonck en Loochristy.
Gedaan tot Mendonck, ten dage, maende en jaere als hier voren waeren geteekent P.J. Van Calenberg; J. Verbrugge, J.B. De Kesel en P.J. Van Overloop.
Voor gelijkvormig afschrift
 
Den secretaris van Mendonck
 
P.J. Van Overloop
 
------------------------------
    
Verzoekschrift van Ferdinand Ottevaere aan de provinciale staten van Oost-Vlaanderen (10 september 1820). Rijksarchief Beveren-Waas, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/9 
 
Aux nobles et tres-honorables Seigneurs, les Etats-Députés de la Flandre Orientale
 
Messieurs,
 
Il n’y a plus d’incertitude dans les attributions, dans les conlits de compétences; les limites ont été précisées entre le pouvoir judiciaire et administratif ; tout ce qui est relatif à la propriété est du ressort des tribunaux.
[…]
Le sieur Ottevaere possède dans les communes de Mendonk et Wachtebeke une propriété de plus de cent bonniers de prés ; elle était jadis d’un produit considérable, mais insensiblement elle s’est détériorée, faute d’eau pour l’inonder et d’écoulement des eaux pluviales ; il a fallu prendre une détermination pour ne pas voir absorber le produit par les charges. En conséquence de la loi du 3 frimaire an 7, le suppliant a fait la déclaration suivante au Gouvernement de la Province :
 
Déclaration
 
Le soussigné Ferdinand Ottevaere, demeurant à Paris, actuellement à sa campagne à Evergem, déclare par les présentes, qu’il est propriétaire dans les communes de Mendonck et de Wachtebeke, qui toutes deux ont été cadastrées parcellairement, d’une quantité plus ou moins grande de cent bonniers ou … hectares de prés, presque tous d’une mauvaise qualité, et dont quelques-uns n’offrent que très-peu ou point de produit, attendu qu’une partie de ces prairies qui ne s’inonde jamais, ne rapporte que très-peu d’herbage à travers une grande quantité de mousse, et qu’une autre ne pouvant obtenir l’écoulement de ses eaux, ne produit que du jonc et des plantes spontanées, mêlées d’herbages aigres et de très-mauvaise qualité, propriété qui, en général, se détériore tous les ans, et dont le produit finirait par être insuffisant au paiement de la contribution foncière, si on n’y portait un prompt remède.
Ces propriétés sont situées, savoir: dans la commune de Mendonck, 1.° entre et y comprise la Zuydleede, le pont de Mendonk et la ferme ci-devant occupée par J. Gheldof ; 2.° entre et y comprise la Zuydleede au midi, la rue dite Wachtebeksche-dam et la Dweersmaete à l’est, le drève de Mendonk au nord, et la ferme ci-devant occupée par J. Gheldof à l’ouest.
Pour la commune de Wachtebeke, entre la partie précédente à l’ouest, le sieur van Overloop, au midi le sieur de Necker, à l’est le sieur Philipkin, au nord cette dernière propriété est connue sous le dénomination de Dweersmaete.
Le soussigné déclare également, par les présentes, d’avoir pris la détermination de faire des améliorations considérables à cette propriété en général, ouvrage déjà en activité, par le creusement de fossés d’écoulement, de saignées multipliées pour exhausser et niveller le terrain, par l’aplanissement de nombreuses hauteurs ou élévations qui doivent être transportées dans les bas, où les eaux croupissent les deux tiers de l’année, par un endigage solide et considérable, par la construction d’un grand nombre de ponts et d’écluses, par un bassin d’inondation, et finalement par la construction dispendieuse d’un moulin en briques, à centrifuge, capable de produire une irrigation, le tout en se conformant aux stipulations du Code civil qui gouverne la matière.
La loi du 3 frimaire an 7, veut que les propriétaires qui augmentent la sphère agricole et la valeur du sol, par des améliorations considérables, au moyen de grandes dépenses, jouissent d’une exemption qui les indemnise de leurs peines et de leurs frais : le soussigné invoque par les présentes, à son bénéfice, toute l’étendue de la faveur des lois émanées à ce sujet, et notamment l’exemption, pendant les trente premières années, de toute augmentation de contribution foncière sur les propriétés précitées.
La présente déclaration a été, conformément à la loi, déposée en double au Commissariat royal du District, dont une pour la commune de Mendonk, l’autre pour celle de Wachtebeke, le vingt avril mil huit cent dix-neuf. 
 
-----------------------
  
Beschrijving van de vloeiweiden van F. Ottevaere, door graaf de Kerchove d’Exaerde, in : Annales belgiques 1819. Geciteerd door Ottevaere (1823), p. 315-317. 
 
L’étendue de cette propriété présentait une difficulté qu’on n’est parvenu à vaincre qu’à très-grands frais, il a fallu, à cause de l’inégalité du sol et de sa grande étendue, qui est entièrement endiguée en divers compartimens, établir un bassin d’inondation renfermé dans d’autres digues de cinq pieds de haut au-dessus du point le plus élevé du sol, c’est là où le moulin porte d’abord les eaux. Ce bassin a quatre écluses d’écoulement de huit pieds de largeur, chacune d’elles répond à un compartiment de 50 à 250 arpens ; ces compartimens sont renfermés dans des digues qui sont à la hauteur nécessaire pour réparer l’inégalité du sol, de manière que l’inondation est générale; elle s’opère à volonté dans tel compartiment qu’on veuille choisir, ceux-ci communiquent entre’eux par le moyen d’un grand nombre d’écluse, qu’on ouvre ou qu’on ferme suivant la circonstance la plus favorable pour accélérer l’inondation d’un compartiment voisin inférieur, ou pour opérer son écoulement. L’écoulement général est si prompt, qu’il peut s’effectuer en peu d’heures; une infinité de petits canaux qui, tous réunis, ont sept à huit lieus d’étendue, se rendent dans des canaux plus considérables, qui aboutissent à trois écluses principales, par lesquelles les eaux rentrent dans la rivière dans des temps ordinaires ; dans le cas contraire, le desséchement des parties basses, s’opère de la manière indiquée ci-dessus.
On a calculé, avec assez de précision, qu’au moment d’un bon vent, la roue à palettes peut élever à six pieds au-dessus du niveau de la rivière, 500 tonnes d’eau de cinq pieds et demi cube chacune, par minute. Ce moulin a cet avantage sur ceux de la Hollande, qu’il peut tourner avec un moindre vent, parce qu’on adapte facultativement le volume d’eau qui est relatif à la force motrice.
Les résultats de cette opération dispendieuse se font déjà apercevoir, et le printemps prochain les mettra dans une plus grande évidence. 
 
---------------
 
Brief van de districtcommissaris van Gent aan de gouverneur van Oost-Vlaanderen betreffende de brug te Mendonk. Rijksarchief Beveren-Waas, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/4 
 
Gand, le 28 8bre 1834
Monsieur le Gouverneur,
En réponse à votre lettre apostille du 1er 8bre j’ai l’honneur de vous transmettre les renseignements que j’ai obtenus de l’administration locale de la commune de Mendonck touchant la pétition de M. Ottevaere d’Evergem dont le but est, non seulement de se soustraire à l’obligation d’entretenir le pont dont il prétend être propriétaire, mais qu’il semble par ce moyen vouloir isoler l’une des parties de la commune du centre.
Cette contestation est la seconde qui dans ce moment est pendante. M. Ottevaere ayant il y a quelque mois barré un sentier qui mêne [sic] vers le même pont. Le mauvais vouloir de M. Ottevaere dans cette affaire provient de la mesintelligence qui règne entre lui et M. le Bourgmestre de Mendonck, je pense que M. Ottevaere veut lui fermer le chemin qui conduit au centre de la commune ; dans tous les cas il semble que, puisqu’il résulte du rapport de l’administration locale que le pont en question a été construit et entretenu par le chapitre de St Bavon jusqu’à l’époque de la vente de ses biens dont M. Ottevaere est devenu propriétaire, ce dernier doit continuer à l’entretenir, et comme d’après ce même rapport le passage par ce pont est une servitude dont le public est en possession immémoriale, comme le peuvent attester plusieurs vieillards de la commune, je pense que mon ordonnance a été bien et légalement faite et que M. Ottevaere peut et doit être obligé à y satisfaire. J’ai l’honneur de joindre ici cette ordonnance.
Il n’est pas hors de propos d’ajouter qu’il a été question de la reconstruction de ce pont en 1832 et 1833 qu’alors M. Ottevaere avait eu le projet de faire un pont dormant au lieu de tournant comme il est aujourd’huit [sic]; mes lettres des 12 8bre, 27 xbre 1832 & le 22 mai 1833 ainsi que celles de votre prédécesseur du 19 novembre 1832 & 28 mai 1833 y étaient relatives.#
 
Le commissaire de District
J.B. Coppens
 
# Cette dernière lettre porte que: que puisque le sieur Ottevaere n’avait jusqu’alors présenté aucun profit ni fait aucune demande tendant à être autorisé à remplacer le pont tournant par un pont dormant, il n’y avait pas lieu de donner suite à cette affaire.
 
--------------------

Mailbericht Charlie Van Acker, 13.12.2016
Interessante tekst. Ikzelf heb als kind jarenlang mee gaan jagen met de Tiberghiens.
Ik heb mij altijd afgevraagd hoe die Fransen ertoe gekomen zijn om in Wachtebeke/Mendonk grond te kopen.
Ik wist dat notaris Thevelin in 1889 de notaris was van de verkoop van de grond dat nu het provinciaal domein Wachtebeke is.
Ikzelf heb nog een overlijdenskaartje van Alfred Breuvart.

------------------

Meylemans E.  Bastiaens J.  Deforce K.  De Smedt Ph. (UGent) Storme A.  Van den Bremt P.  Van Driessche Th.  Van Meirvenne M. (UGent), "Pro-actief onroerend erfgoedonderzoek in de Moervaart- en Kalevallei in het kader van de natuurcompensatie voor de ontwikkeling van de Gentse Zeehaven. Eindverslag  4-01-2012", Brussel, Agentschap Onroerend Erfgoed, 2012.
 
Tot aan de Franse Revolutie bleven de meersen langs de Zuidlede in Mendonk eigendom van het kapittel van Sint-Baafs. In 1798 werden de goederen van het kapittel geconfisqueerd en openbaar verkocht. De bezittingen van de abdij tussen de Moervaart en de Zuidlede werden grotendeels opgekocht door twee rijke Gentenaars, de handelaar Philippe Jacques Van Overloop (1756-1845) en de advocaat Ferdinand Ottevaere (1766-1863). 
 
Philippe Jacques Van Overloop werd in 1808 werd maire van Mendonk, een functie die hij behield in de Hollandse Tijd (1815-1830) en onder het jonge België. Omstreeks 1810 liet hij op de oever van de Zuidlede aan de Puyenbrug een buitenverblijf bouwen. Achter deze gebouwen liet hij omstreeks 1812 een landschappelijk park aanleggen. Na zijn overlijden in 1845 werd hij als burgemeester opgevolgd door zijn zoon François Jean (1780-1862)93. 
 
Ferdinand Ottevaere begon zijn carrière als advocaat bij de Raad van Vlaanderen, nog tijdens het Ancien Régime. In de Franse Tijd maakte hij een fortuin door het opkopen van genationaliseerde kerkelijke bezittingen. Zo kocht hij o.m. het voormalige kasteel van de bisschop van Gent in Evergem.
 
Vanaf 1819 liet hij grote werken in zijn hooilanden langs de Zuidlede uitvoeren. Die hadden namelijk een lagere opbrengst dan de hooilanden langs de Moervaart, die als de beste van Mendonk golden94. Sommige meersen langs de Zuidlede werden bijna nooit overstroomd waardoor ze te mager waren, andere stonden meer dan acht maanden per jaar onder water. Ottevaere liet daarom een nieuw irrigatie- en drainagesysteem aanleggen, met een bijbehorend windgemaal.
 
Op de kaart van Vandermaelen is deze windmolen aangegeven als Westmeerschmolen.95 Hij pompte het water van de Zuidlede naar een spaarbekken (bassin d’inondation) tussen dijken van vijf voet hoog. Vandaar werd het water via vier sluizen over de hooilanden verdeeld, via een netwerk van sloten. Het hele gebied werd genivelleerd en onderverdeeld in bedijkte compartimenten, die afzonderlijk bevloeid konden worden. Het systeem kon ook gebruikt worden om het overtollige water af te voeren. 
 
De vloeiweiden werden voor het eerst beschreven door graaf de Kerchove d’Exaerde, in een artikel gepubliceerd in het novembernummer van de Annales belgiques des sciences, des lettres et des arts (1819)96.
 
Ferdinand Ottevaere zelf publiceerde in 1823 een artikel in het tijdschrift Journal d’agriculture, d’économie rurale et des manufactures du Royaume des Pays-Bas, waarin hij het succes van zijn project wereldkundig maakte. Hij voorspelde dat zijn vloeiweiden in drie of vier jaar dezelfde waarde zouden hebben als de beste hooilanden langs de Schelde. Hij schreef dit succes toe aan het vruchtbare slib in het water van de Zuidlede, dat afkomstig was uit de Sasse Vaart 97. Allicht verwachtte hij dat er nog meer slib zou worden aangevoerd na de ingebruikname van het nieuwe kanaal Gent-Terneuzen, waarvoor de plannen toen in voorbereiding waren98. 
 
Ferdinand Ottevaere kwam geregeld in aanvaring met diverse overheden. Hij had een notoir slechte verstandhouding met de burgemeester van Mendonk, Philippe Jacques Van Overloop. In 1820 liet hij twee grachten graven dwars door de trekweg langs de Zuidlede die van Mendonk naar Zaffelare liep. Deze weg was tevens de kortste weg tussen het Oostdonkhof (dat toebehoorde aan de burgemeester) en het dorp99. In 1834 ontstond er een conflict over de brug van Mendonk. Deze houten draaibrug behoorde vroeger toe aan de Sint-Baafsabdij en was nu in het bezit van Ottevaere. De gemeente vond dat hij de onderhoudskosten moest dragen, maar Ottevaere was daar niet toe bereid. Zijn voorstel om de brug te vervangen door een liggende brug, werd door de gemeente afgewezen. Daarop liet hij de draaibrug afbreken zonder ze te vervangen. De districtcommissaris van Gent vermoedde dat Ottevaere dit alleen maar had gedaan om de burgemeester een hak te zetten (bijlage 7)100.
 
In 1852 ontstond er een polemiek tussen Ottevaere en J. Wolters, directeur van het bestuur van Bruggen en Wegen in Oost-Vlaanderen, naar aanleiding van een plan voor de bouw van een sluis bij de samenvloeiing van de Moervaart en de Zuidlede in Daknam. Beide partijen publiceerden mémoires om de publieke opinie voor hun standpunt te winnen101. 
 
Op 26 maart 1889 werden de gronden van de families Van Overloop en Ottevaere verkocht aan de textielbaronnen Breuvart en Tiberghien uit Tourcoing. De nieuwe eigenaars gebruikten het gebied als jachtdomein. De weiden en meersen verpachtten ze aan veehandelaars, die hier hun runderen vetmestten.
 
In de jaren 1960 werd het gebied ten oosten van de weg Zaffelare-Wachtebeke aangekocht door de provincie Oost-Vlaanderen, die het uitbouwde tot het recreatiedomein Puyenbroeck. Het gebied ten westen van de weg bleef in privébezit 103.
 
In de Moervaartdepressie komt plaatselijk moeraskalk voor. Omstreeks 1810 vatte baron François Antoine-Maximilien de Kerchove d’Exaerde het plan op om deze moeraskalk of mergel te ontginnen op zijn domeinen in Eksaarde. Hij liet de mergel branden tot kalk die volgens hem uitermate geschikt was als bodemverbeteraar en als meststof voor de meersen. In 1834 publiceerde hij hierover een  brochure getiteld: Mémoire sur la marne trouvée dans le pays de Waes, et sur les avantages que cette découverte procure104. De plaatselijke boeren wilden de kalk echter niet gebruiken. De baron gebruikte de kalk dan maar op zijn eigen meersen maar het resultaat viel tegen105. Of er ook in het onderzoeksgebied moeraskalk ontgonnen werd, is niet bekend.
 
Het perceelspatroon: 
Wanneer men het primitief kadaster van 1835 (fig. 4.8) vergelijkt met de hedendaagse kadasterkaart (fig. 4.9), constateert men dat het percelenpatroon van het gebied tussen Moervaart en Zuidlede vrijwel ongewijzigd gebleven is. Het primitief kadaster vertoont op zijn beurt nauwelijks verschillen met de Ferrariskaart. Dit houdt allicht verband met het feit dat de perceelsgrenzen in dit gebied samenvallen met greppels en sloten. Het bodemgebruik heeft wel wijzigingen ondergaan.
 
Het huidig bodemgebruik: 
Uit de vorige paragraaf betreffende het perceleringspatroon zou men verkeerdelijk kunnen afleiden dat het bodemgebruik sinds de 18de eeuw nauwelijks is veranderd. Niets is minder waar. Het bodemgebruik heeft vanaf de primitieve kadasterkaart van 1835 tot nu heel wat wijzigingen ondergaan.
 
-het meersengebied:
Tijdens onze veldbezoeken in maart-april 2011 troffen we binnen deze zoekzone nergens nog hooilanden aan. Net erbuiten echter, bemerkten we in de loop van de maand mei nog een hooiland/hooiweide.  
Waar het meersengebied langs de Moervaart bij Oostdonk ten tijde van graaf De Ferraris op het grondgebied van Mendonk nog één aaneengesloten visueel ongeperceleerd graslandcomplex vormde dat als hooiland/hooiweide in gebruik was, zien we dit graslandcomplex vooral na W.O.II in toenemende mate versnipperen 106.
 
Ter hoogte van de huidige grens met Wachtebeke werden de meersen vanaf die periode drastisch opgehoogd. Ten noorden van het Hof te Oostdonk bemerkt men op de stafkaart van 1969 voor het eerst de nog steeds bestaande bestaande brede slootstructuren in dit meersengebied. Later, tijdens de 20ste eeuw, werd deze door sloten begrensde graslandzone met populieren ingeplant. Enkele aansluitende meersen ontwikkelden er zich recent tot wilgenstruweel of tot natte ruigte. De overblijvende meersen ten westen en ten oosten van het Hof te Oostdonk zijn nu in gebruik als graasweide. 
 
Het meersengebied tussen de Oostdonkstraat en de Zuidlede kende in grote lijnen een gelijklopende ontwikkeling als het hiervoor vermelde. Uit de vloeimeersenperiode ten tijde van het project Ottevaere resten geen op het terrein herkenbare relicten met uitzondering van de ruïne van de voormalige poldermolen, de Westmeerschmolen, ten oosten van de afgebakende zoekzone. Die Westmeerschmolen ligt nu verscholen in een populierenaanplanting. Ook binnen dit meersengebied is van de hooilanden/hooiweiden nog nauwelijks sprake: vooral graasweiden herinneren aan de voormalige ‘zure’ graslanden die Ottevaere met de inzet van heel wat geld en middelen wist te verbeteren. Grote delen van dit graslandgebied.werden gedurende de laatste decennia verder ‘verbeterd’ ten behoeve van de landbouw. Tijdens onze veldbezoeken werd er bijvoorbeeld op grote schaal teelaarde aangevoerd, afkomstig van infrastructuurwerken. Die werd vervolgens netjes uitgespreid over de graslanden. De op het einde van de 18de eeuw moeilijk toegankelijke meersen langs de Zuidlede zijn hier nu geëvolueerd tot relatief droge graasweiden. In toenemende mate zijn ze in gebruik als paardenweide.  
 
Alleen de graslanden ten zuiden van de Oostdonkstraat aan de grens met Wachtebeke, dus net buiten de zoekzone, weerspiegelen nog min of meer de natte graslandzones van weleer, enkele grotendeels verlande open sloten liggen er in een graslandcomplex met een nog opvallend microreliëf.  

-Het Hof te Oostdonk (Groothof) en de akkerlanden op de drogere zandgronden:
Het historische hoevecomplex Hof te Oostdonk is nog steeds goed herkenbaar, zij het in enigszins vervallen toestand. Momenteel wordt het opgeknapt. Buiten de merkwaardige linde langs de Oostdonkstraat vinden we er nog een restant van de vroegere veel omvangrijker boomgaard.  
 
De individuele akkerlanden op de zandige opduikingen  waren al ten tijde van graaf de Ferraris met houtige landschapselementen afgezoomd langs een perceelsrandsloot107. Deze landschapselementen bestonden uit opgaande bomen en/of knotbomen, maar ook houtkanten (hakhout van bijv. zwarte els of wilg) kunnen niet uitgesloten worden. De opgaande bomen en het stamhout van de knotbomen kwamen doorgaans toe aan de eigenaar van de percelen, terwijl het scheersel (het knothout) van de knotbomen en het hakhout gewoonlijk als brand- en geriefhout toekwamen aan de pachters. Zeker tot aan WOII werden deze houtige elementen in en rond de akkerzones nog behouden: hun functionaliteit was nog groot. Vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw verdwijnen ook hier, net zoals elders in Vlaanderen, deze kleine landschapselementen op grote schaal. Dit heeft te maken met de veranderde bedrijfsvoering van de moderne landbouw en de steeds toenemende schaalvergroting: de voorheen functionele beplantingen werden hinderlijk voor de moderne landbouwer. Er ontstonden op de zandgronden grotere akkercomplexen zonder de voor de hedendaagse landbouw veelal als hinderlijk ervaren houtige beplanting.   

-De lijnvormige houtige beplantingen: Op de 18de–eeuwse kabinetskaart van de Ferraris bemerken we buiten de akkerzone, het Groothof en enkele dreven en dijken nauwelijks houtige beplanting op. In functie van de toen heersende landbouwbedrijfsvoering is dit de logica zelf. De graslandcomplexen bestonden grotendeels uit meersen, die na de hooibeurt(en) meestal gemeenschappelijk beweid werden. Houtige beplanting was in die context zeer hinderlijk en als ze al voorkwam, moest ze tegen veevraat beschermd worden108. Waar nodig werden houtkanten en hagen, al dan niet met opgaande beplanting en knotbomen, als levende afsluiting aan de buitengrenzen van de gemeenschappelijk begraasde graslanden gezet om het gemeenschappelijk grazende vee binnen de te begrazen oppervlakte te houden en vraatschade elders te vermijden.
 
Vanaf de 19de eeuw zien we de beplanting in de graslandzone in lichte mate toenemen. Vermoedelijk betrof het op de meeste plaatsen knotbomen van voornamelijk wilg. Veelal stond dergelijke beplanting hier langs huisweiden (brandhout, geriefhout en in precaire omstandigheden waarschijnlijk ook “bladinghe” voor loofvoedering) en de perceelsrandsloten (brandhout, geriefhout + nuttig voor ontwatering).
Op enkele plaatsen blijven nog relicten over van de vroegere functionele beplantingen langs de graslanden, vooral onder de vorm van knotwilgen. 
 
- Bossen:
Binnen de zoekzone komt geen oud bos voor. De huidige bosbeplantingen bestaan hoofdzakelijk uit Canadapopulier (diverse cultivars) zonder kenmerkende bosonderbegroeiing (aanplantingen op voormalig grasland). Ten noorden van het Groothof heeft zich langs de Moervaart op één perceel een vlakvormend pionierbos bestaande uit wilgenstruweel ontwikkeld.  
 
- Verdroging
De waterstand binnen het gebied is vooral na de Tweede Wereldoorlog sterk gedaald door intensieve bemaling ten behoeve van de landbouw. Door deze ingreep werd het mogelijk de hooilanden systematisch om te zetten in graasweiden. Door de bemaling veranderde het bodemgebruik drastisch. 
 
Fig. 4.5: Primitief kadaster Mendonk (1835), projectie van de eigendomstoestand op de kadasterkaart: Van Overloop (oranje), Ottevaere (rood), Lammens (geel).
Fig. 4.6: Ruïne van de Westmeerschmolen (foto: T. Van Driessche). Na de dood van F. Ottevaere raakte de molen in verval. Tijdens WO I gebruikten de Duitsers hem als schietschijf. Na de oorlog kwamen boeren er stenen halen om stallen te bouwen en wegen te verharden102. 
Fig. 4.7: Kaart van Ph. Vandermaelen, detail.
 Fig. 4.8: Primitief Kadaster gemeente Mendonk (1835), detail. 
Fig. 4.9: Huidige kadasterkaart gemeente Mendonk, detail.
Fig. 4.10: Luchtfoto 2002. 
Fig. 4.11: Bodemkaart 2001. 
Fig. 4.12: Moervaart-Zuid: tussen Moervaart en Zuidlede 
Fig. 4.13: Hooilandbeheer ten zuiden van de Oostdonkstraat, net ten oosten van de zoekzone (19 mei 2011) (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.14 Kabinetskaart van Graaf de Ferraris (1771-1778)
Fig. 4.15: Brede sloot ten noordwesten van Hof te Oostdonk (Groothof) (Foto: Paul Van den Bremt) 
Fig. 4.16: Voorjaarszicht op natte ruigte ten noorden van Hof te Oostdonk (Groothof) (Foto: Paul Van den Bremt) 
Fig. 4.17: Graslandcomplex ten westen van Hof te Oostdonk (Groothof) (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.18: Graslandcomplex bij de Zuidlede (Foto: Paul Van den Bremt) 
Fig. 4.19: Paardenweide langs de Zuidlede (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.20: Typeafsluiting voor paardenweiden op grondgebied Mendonk (Foto: Paul Van den Bremt)  
Fig. 4.21: Graslandzone met opvallend microreliëf op de grens met Wachtebeke, ten zuiden van de Oostdonkstraat (Foto: Paul Van den Bremt)  
Fig. 4.22: Paardenweide met microreliëf, ten zuiden van de Oostdonkstraat, palend aan de zoekzone (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.23: Hof te Oostdonk met restanten van de vroegere boomgaard (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.24: Van de vroegere houtige beplanting langs de grenssloten op de akkerranden blijft niets meer over. Alleen de sloten zelf, hier door riet omzoomd, zijn blijven bestaan.  (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.25: Lijnvormige populieraanplantingen (Populus x canadensis cv. Robusta) zoals die langs de Oostdonkstraat en langs de ZuidLede vormen nu de dominante lijnaanplantingen (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.26: Jonge lijnvormige populieraanplantingen (Populus x canadensis cv. Robusta) langs de Zuidlede (Foto: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.27: Populierendreef ten westen van het Groothof  (Foto: Paul Van den Bremt) 
Fig. 4.28: De knotbomen (hoge en lage knotbomen) bestaan uit diverse wilgensoorten (Foto’s: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.29: Monotone begraasde populierenaanplanting ten noorden van het Groothof (Foto’s: Paul Van den Bremt)
Fig. 4.30: Verdroging door bemaling (pompgemaal van de Lange Kromme uit 1958). Peillatten op een sloot, zuidelijk van de Oostdonkstraat en op de Zuidlede (5 april 2011). (Foto’s: Paul Van den Bremt)
 
Voetnoten
93 Van Acker 2001, 137-141.
94 Vandermaelen 1834, 148.
95 Vandermaelen beschrijft deze windmolen ook in zijn Dictionnaire Géographique de la Flandre Oriëntale (1834). De molenromp bestaat nog steeds: Denewet 1982, 125-127 en www. molenechos. org
96 Geciteerd door Ottevaere 1823, 315-317.
97 Il n’est pas inutile de faire connaître la qualité des eaux qui produisent cette inondation; elles proviennent du canal du Sas-de-Gand, qui est alimenté par le confluent de l’Escaut et de la Lys; elles contiennent une excellente qualité d’humus, mais en petite quantité. C’est à la fertilité de ces eaux que j’attribue le prompt changement et l’amélioration successive de cette propriété, dont le terrain, antérieurement spongieux, est devenu plus gras et plus compacte au fur et à mesure que les eaux ont déposé ce précieux résidu. Ottevaere 1823, 319.;
 
98 Het kanaal werd aangelegd tussen 1825 en 1828. Naudts 1993, 392.
 
99 Volgens Ottevaere was het trekpad geen openbare weg omdat de Zuidlede privé-bezit was: La Zuydleede est un canal ou une rivière qui n’est ni navigable ni flottable; c’est une propriété privée, comme il sera prouvé ciaprès, assujettie à des charges qui dérivent de la situation des leux et des usages légalement établis. Rekest van Ottevaere aan de Gedeputeerde Staten, 10 september 1820. RABW, Provincie Oost-Vlaanderen 11830-1850, 4204/9.
 
100 RABW, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/4.
 
101 Wolters 1852, Ottevaere 1853.
 
102 E-mail van John Buyse aan Regi De Meirsman, 11 februari 2010.
 
103 Van Acker 2001, 145. Van Acker & Hendryckx 1982, 103.
 
104 de Kerchove d’Exaerde 1836. De baron correpsondeerde met verschillende geleerden in binnen- en buitenland over
 
105 Il y a environ 20 ans, qu’un propriétaire de la commune d’Exaerde, voisine de celle de Moerbeke, M. le baron Van Kerkhove d’Exaerde, voulut propager l’usage de la marne dans sa localité. Il publia, en 1834, en (sic) petit ouvrage intitulé: Mémoire sur la marne trouvée dans le pays de Waes, et sur les avantages que cette découverte procure. Le sous-sol de ses prairies renfermait comme chez nous, environ 80 p.c. de carbonate de chaux. Il en fit extraire une certaine quantité, fit construire un four pour brûler sa marne. Mais il eut beau prêcher, engager, solliciter, écrire, etc., sa marchandise n’eût pas de vogue ; personne ne voulut en faire l’essai, et ses nobles efforts furent récompensés par une grèle (sic) de quolibets et de plaisanteries, qui n’ont même pas encore cessé à l’heure où nous écrivons ces lignes, bien que déjà la tombe se soit emparée du malheureux baron depuis quelques années. L’auteur de cette découverte fit usage de sa marne pour son propre compte, mais, comme à son érudition il joignait un esprit original, beaucoup de négligence, d’insouciance et de désordre dans ses affaires, il finit par tomber dans une complète déconfiture, ce qu’il lui enleva pour jamais toute considération aux yeux des campagnards, et jugea sans appel la cause de la marne. Daumery 1853, 461. Zie ook Moll 1845, 40-41.
 
106 Op de kaart van Vandermaelen (1846-1854) wordt het meersengebied bij de Moervaart in de omgeving van Oostdonk grotendeels als akkerland weergegeven. Dit heeft o.i. alles te maken met de hongerjaren 1845-1848, wanneer West- en Oost-Vlaanderen sterk leden onder de gevolgen van de ziekten op aardappelen en rogge. Wanneer het enigszins kon, ging men in die korte periode en de daaropvolgende jaren graslanden omzetten in akkerlanden om toch maar genoeg voedingsgewassen voor de mens te kunnen opbrengen. Later werden de akkers weer in graslanden omgezet.
 
107 Vgl. Schwerz 1807, 171-177; Van Aelbroeck 1823, 244-249; von Grouner 1827, 219-221. 108 Verdoorning van de stammen van de opgaande bomen en knotbomen (vooral bij jong plantsoen) met bramen of ander doornig materiaal zoals takken van meidoorn en sleedoorn, behoorde vaak tot de gewoonten van die tijd. Indien nodig werden de dieren bij verplaatsingen naar andere gronden zelfs gemuilkorfd. 

 

Literatuur

Archieven
- Rijksarchief Beveren-Waas, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/9.
Uittreksel uit het register van de processen-verbaal van de gemeente Mendonk  (21 mei 1819)
- Rijksarchief Beveren-Waas, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/9. Verzoekschrift van Ferdinand Ottevaere aan de provinciale staten van Oost-Vlaanderen (10 september 1820)
- Rijksarchief Beveren-Waas, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4204/4. Brief van de districtcommissaris van Gent aan de gouverneur van Oost-Vlaanderen betreffende de brug te Mendonk (28.10.1834).

Gedrukte bronnen
- Ph. Vandermaelen, "Dictionnaire Géographique de la Flandre Oriëntale" (1834).
- F. Ottevaere, "Notice sur l’irrigation des prairies", in : Journal d’agriculture, d’économie rurale et des manufactures du Royaume des Pays-Bas, ou: Recueil périodique de tout ce que l’agriculture, les sciences et les arts, qui s’y rapprochent, offrent de plus utile et de plus intéressant, tome XV, 1823, n° 104, 313-320.
- F. Ottevaere, "Observations sur le projet d’une Ecluse à portes de flot, à construire à Daknam, spécifiée dans l’Enquête ordonnée par M. le Ministre des Travaux publics, en date du 27 Décembre 1852, inscrites au Registre destiné ad hoc", 1853.
- de Kerchove d'Exaerde, "Mémoire sur la marne, trouvée dans le Pays de Waes et sur les avantages qu’offre cette découverte, Bruxelles, 1836.
- J. Wolters, "Mémoire à l’appui du projet d’une écluse avec portes de flot à construire au confluent du Moervaert et de la Zuydleede, et d’une éclusette à établir à l’origine de ce dernier cours d’eau", Gent, 1852.
J. Wolters, "Recueil de lois, arrêtés, règlements etc. concernant l’administration des eaux et polders de la Flandre orientale, troisième édition, tome second, Polders et wateringues", Gent, 1869.
J. Wolters, "Recueil de lois, arrêtés, règlements etc. concernant l’administration des eaux et polders de la Flandre orientale, troisième édition, tome premier: rivières et canaux", Gent, 1874.

Werken
Lieven Denewet, "Een poldermolen te Mendonk", in: Molenecho's, X, 1982, 3, p. 125-127.
Lieven Denewet, "Een merkwaardige poldermolen in de Bougoyenmeersen te Drongen", Molenecho's, 1982.
D. Vanacker & M. Hendryckx,  "Langs het kanaal", Gent, 1982.
E. Van Acker, "Van Terlicht tot Puyenbroeck, Heemkundige Kring “Oud Wachtebeke, jaarboek 34, 2001, p. 129-162.
E. Van Acker, "De Moervaartvallei te Wachtebeke en te Winkel in de middeleeuwen en het ancien régime, in: Heemkundige Kring “Oud Wachtebeke”, jaarboek 38, 2005, p. 5-105.
Paul Bauters, "Eeuwen onder wind en wolken. Windmolens in Oost-Vlaanderen", Gent, Provinciebestuur, 1985.
Paul Bauters, "Oostvlaams molenbestand 1986", Gent, 1986 (Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen. Bijdragen, nieuwe reeks, 25).
"Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oost-Vlaanderen naar gegevens van het Archief van het Kadaster. Tweede aflevering. De arrondissementen Eeklo en Gent", in: Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen, XV, 1961, 2 (Gent, 1962).
Herman Holemans, "Oostvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 5. Gemeenten M-N", Opwijk, Studiekring Ons Molenheem, 2004.
F. De Potter & J. Broeckaert, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, reeks I, deel 4, Gent, Gent, 1864-1870.
Mendonk vroeger (catalogus tentoonstelling), Mendonk, 1981.
Meylemans E.  Bastiaens J.  Deforce K.  De Smedt Ph. (UGent) Storme A.  Van den Bremt P.  Van Driessche Th.  Van Meirvenne M. (UGent), "Pro-actief onroerend erfgoedonderzoek in de Moervaart- en Kalevallei in het kader van de natuurcompensatie voor de ontwikkeling van de Gentse Zeehaven. Eindverslag  4-01-2012", Brussel, Agentschap Onroerend Erfgoed, 2012.
Broeder Leopold, "Het provinciaal domein Puyenbroeck", Sint-Laureinsklokje, jg. 41, 1968-1969, 4, p. 2-18.
Etienne Van Kenhove, "Het provinciaal domein Puibroeck", Sint-Laureinsklokje, jg. 42, 1969-1970, 1, p. 36-42.
Broeder Leopold, "Uitwatering van onze polders (1978)", Sint-Laureinsklokje, jg. 50, 1977-1978, nr. 3, p. 37-58.
Broeder Leopold, "Het watergemaal te Oostdonk / Mendonk", Sint-Laureinsklokje, jg. 50, 1977-1978, 4, p. 33-39.

Mailberichten
Steven De Waele (MOT-Grimbergen), 20.05.2010.
Michiel Hooijberg, 16.10.2011.
Charlie Van Acker, 13.12.2016.


Laatst bijgewerkt: zondag 25 maart 2018
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens