Molenzorg
Halen, Limburg
<p>Rotemse Molen<br />Molen van Rotem</p>
Foto: Frans Van Bruaene, Laakdal, 25.03.2012
Naam

Rotemse Molen
Molen van Rotem

Ligging Gidsenstraat 24
3545 Halen

op de Velpe
kadasterperceel D152
GPS N 50,92878 O 5,09270


toon op kaart
Geo positie 50.927494, 5.091762
Eigenaar Luc Stakenborghs
Gebouwd ca. 1422 / 1646 / 1715 / 1777
Type Onderslag watermolen
Functie Korenmolen
Kenmerken Bovenaandrijving maalstenen
Gevlucht/Rad Metalen onderslagrad (verwijderd)
Inrichting Nog aanwezig
Toestand Hersteld gebouw in 2002-2005
Bescherming M: monument, DSG: dorps- en stadsgezicht,
30.05.2005
Molenaar Geen
Openingstijden Op afspraak, tel.: 013-531065 (L. Stakenborghs)

Beschrijving / geschiedenis

De molen van Rothem is een watermolen met (verwijderd) metalen onderslagrad op de Velpe, een zijrivier van de Demer, in de Gidsenstraat 24 te Halen.

De molen werd gebouwd door de Abdij Mariëndal, ook Mariënrode of Abdij van Rothem (Rotem) geheten en vroeger "Satrum Beatae Mariae". Deze cisterciënzerinnenabdij werd rond 1237 gesticht op de Wolput, ook "Patersveld" genoemd en was gelegen in de Rothemse bossen. Zij werd rond 1242 tegen de Velpe herbouwd, daar waar nu nog de zogenaamde Rotemhoeve staat in de Rotemstraat nr. 4. In datzelfde jaar heeft Anselm van Zurpele tot de opbouw van het kloosterdomein bijgedragen door de schenking van zijn bezit, het "Zurpelenhof" te Budingen.

Volgens een oorkonde van 6 augustus 1420 kocht abdis Maria van Jesscheren van Wouter de Dove een stuk grond van 4 bunder op de oever van de Velpe, waarop een molen gebouwd kon worden. Deze grond komt overeen met de 3 hectare die nu nog "Molenblok" genoemd wordt. De abdij van Rothem kreeg in 1422 de vergunning van Geert van den Zijpe, schatbewaarder van Brabant, om een watermolen te bouwen. Enkele maanden later, na een proces, kreeg de abdij de toestemming van de hertog van Brabant, Jan IV, onder de volgende voorwaarden: de abdij moest 2 mud koren geven aan de rentmeester van Tienen, bestemd voor de hertog. Daarnaast moest zij ook 2 mud geven aan de heer van Lantwijk en de H. Geesttafel van Halen.

De eerste watermolen werd dus kort na 1422 gebouwd, op een honderdtal meter van de bedding van de Oude Velpe. Daarna groef men 400 meter stroomopwaarts van de oude Velpe een kanaal, waardoor men kon stuwen en een waterval van zo'n 2 meter verkrijgen om het waterrad aan te drijven. De Ferrariskaart van ca. 1775 vertoont de twee waterlopen.
De molen werd niet lang door de abdij zelf uitgebaat, want reeds in 1455 werd hij voor 6 jaar aan Jan Zellaerts verhuurd tegen jaarlijks 24 mud rogge en 10 stuiver. In 1505 was de molen weer verpacht, nu echter voor 17 mud koren en 12 pond was.

Het onderzoek van de onderbouw van de huidige constructie en vooral van een gewelfde ruimte in de kelder, laat ontegensprekelijk blijken dat de molen voor 1646 grotendeels vernield werd en dat hij, wat betreft de ruwbouw, in de huidige staat werd herbouwd. De bouw van de molen startte in 1646. Er waren vele onderbrekingen vanwege de oorlogstoestand. Nog in 1715 werden werken uitgevoerd. 
Drie van de vier gevels bestaan uit Spaanse bakstenen. De noordergevel draagt in zwarte bakstenen de datum 1646 en deze is eveneens terug te vinden op de dikke eikenhouten balk in de woonkamer met open haard.

De zuidergevel, waaraan het molenrad hangt, is in andere bakstenen gebouwd en heeft witte stenen voor de hoeken, de plint en de vensterlijsten. Deze gevel draagt op een witte Gobertinger steen de datum 1777. Hij draagt ook op iedere kant een ketel met witte Oobertinger stenen, terwijl de noordergevel een ketel in Diesterse ijzersteen draagt. Men kan dus veronderstellen dat de zuidergevel voor 1777 in de Velpe gevallen is en dat hij daarna in de stijl van die eeuw terug gebouwd werd. De ijzerzandstenen elementen in de muren zijn typisch voor de streek en die vinden we nog terug in kerken en monumenten uit de late Middeleeuwen, zoals in de kerktoren van Halen.

In 1970 werd een kwijtingsbrief gevonden op een balk van de woonkamer. Hier volgt de tekst van die kwijtingsbrief "De ondergheschreven bekenne midts desen ontfangen te hebben uyt handen van Frans Joes de Kinder inden naem van mijn heers van Neerlinter de somme van twee hondert gulden op rekeninge van die verpachtinge van die muelen die Frans Joes de Kinder in hueringe van mijne heeren van Neerlinter. Actum den 15 april 1676 (getekend) Peeter derwijze. Deze kwijtingsbrief lag dus 300 jaar op die balk.

In maart 1763 werd de molen aan Anthoon de Coster verpacht voor zes jaar tegen 190 gulden; in 1773 werd hij aan de weduwe Verboven verhuurd voor 6 jaar tegen 168 gulden en vervolgens in 1776 aan Jacob Graethoven tegen 300 gulden. Dochter Anna Catharina Gaethoven, "habitantes in molendino de rotthem parochia de Donck" huwde op 11.02.1783 met Cornelis Boyen.

Enkele jaren voor de Franse Revolutie werd de molen verkocht aan de abdij van Millen bij Sint-Truiden. Na de verbeurdverklaring van de kerkelijke goederen door de Franse Republiek en na de wet van 18 Brumaire van het jaar V (8 november 1796) werd de Rothemse molen samen met 6 bunder akkergrond gekocht door de heren van Gulpen en Bonhomme voor de som van 402.000 frank (wellicht papiergeld).
In 1803 werd de molen, samen met 17 hectare grond, door Theodore van Gulpen, notaris te Maastricht, verkocht aan Laurent Hermans, notaris te Herk-de-Stad, en aan Henri Kenens, landbouwer te Herk-de-Stad, echtgenoot van Anne-Odile Cleeren. Ieder betaalde de helft van de som van 20.000 frank, in klinkende munt.

Vanaf 1801 werd de molen verhuurd aan Cornelis Boyen. In 1822 nam zijn schoonzoon, Mathijs Severijns, echtgenoot van Barbara Boyen, de huur over. Van 1846 tot 1865 werd de werking van de molen aan J. Tielemans gegeven voor rekening van de eigenaar Auguste Van den Hove, schoonzoon van notaris Laurent Hermans. Tot in 1989 bleef het molenerf in handen van de familie Van den Hove.

De Bestendige Deputatie van de provincie Limburg keurde op 26 juli 1848 de vastgestelde pegelhoogte van 1,900 meter goed.

In 1924 bouwde de eigenaar Joseph van den Hove d'Ertsenryck een vrij hoge woontoren tegen de oude molen om er een zomerverblijf te hebben. Zijn zoon Henri van den Hove maakte van de molen zijn vaste verblijfplaats. Hij voegde er een vleugel aan toe in de stijl van de oude molen.

Eigenaars na 1840:
- voor 1844, eigenaar: Van den Hove-Herman Augustinus, rechter te Leuven
- 1882: de weduwe en de kinderen
- 1891: de kinderen
- 1892, deling: Van den Hove-Stas Albert, gepensioneered kapitein van de Ruiterij te Brussel
- 1909, deling: van den Hove-Coppens d'Eeckenbrugge Joseph, substituut-procureur des konings te Charleroi (later krijgsauditeur te Brussel)
- 1915: en de kinderen
- 1924, eigenaar: van den Hove d'Ertsenryck Joseph
- 1935, eigenaar: van den Hove Henri, zoon van Joseph
- 1995, eigenaar: mevr. Van den Hove-d'Ertsenryck
- 1989, verkoop: Stakenborghs Luc, uit Lummen, thans te Halen

In 1865 werd de molen verhuurd aan Egide Ramaekers en in 1877 aan Lambert Mertens. Van 1879 tot 1893 was Petrus Alen molenaar. Deze had een dochter, die geboren was in de molen en die later met een Schuurman van Kortenaken huwde. Als 90-jarige bezocht zij in 1975 nog haar geboortehuis.

In 1893 huurde Theophile Melotte de molen, maar toen zijn twee­- of driejarig kindje in 1897 in de Velpe verdronk, verliet hij de molen. Nieuwe huurder werd dan Jozef van Houdt. Zijn weduwe bleef met haar 5 kinderen tot 1925 in de molen. Ze werd geholpen door haar broer Louis van Horenbeek, die afkomstig was van Velpen.

Volgens rekeningen, in privaat archief gevonden, had de molen in 1920 75.000 kilo graan gemalen.
Na 1925 werd de molen verhuurd aan Bernard Vlayen (+1935). Zijn weduwe Sidonie Gaecoms ging, geholpen door haar zoon Emiel Vlayen, met het werk verder tot in 1961. In dat jaar brak de grote as van het rad, hoewel het een dikke eik was. Sindsdien ligt de molen stil.

De inrichting is uniek. Het is een watermolen met de techniek van een windaangedreven exemplaar. Bij een watermolen worden de stenen normaal van onderuit aan het draaien gebracht, omdat het rad zich lager bevindt. Dat laatste is ook het geval voor de Halense molen, maar hier gebeurt de aandrijving van boven, zoals bij een windmolen.

Sinds 2000 is de molen in het bezit van Luc Stakenborghs, afkomstig uit Lummen. Hij nam zijn intrek in het woongedeelte van het complex, dat hij liet opknappen. De molen is ideaal gelegen: vlakbij het museum van de Slag der Zilveren Helmen, rustig in het groen. Dit is de ideale stopplaats voor de talloze fietsers, wandelaars.

De molen werd op 30 mei 2005 beschermd als monument samen met de onmiddellijke omgeving als dorpsgezicht, waaronder de hoeve en het bakhuis aan de overzijde van de straat. 

Op 13 mei 2009 is de aanleg van een vistrap op de Velp bij de molen voltooid, naar een ontwerp van Studiebureau Soresma nv uit Antwerpen, in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Operationeel waterbeheer. Deze vistrap ligt op de Velpe zelf en niet op de nog aanwezige bypass. Bij die aanleg werd het bovenslagrad verwijderd.

Geert Bourgeois, Vlaams minister-president en Vlaams minister van Onroerend Erfgoed kende de eigenaar in november 2015 een erfgoedpremie toe van 350.000 euro. Dankzij deze premie wordt de Rotemse molen opnieuw maalvaardig en wordt ook de beschermde hoeve gerestaureerd. Het molenwerk werd op 17 februari 2016 aanbesteed.

Luk WEYENS, Herman HOLEMANS & Lieven DENEWET

Bouwkundige beschrijving (Frieda Schlusmans, 1981 - Agentschap Onroerend Erfgoed)

Het gebouw
Bakstenen molenhuis van één bouwlaag en vijf traveeën onder zadeldak (mechanische pannen), afgewolfd aan de rechterzijde, en voorzien van een getrapt dakvenster boven de eerste travee (tichelen), een dakvenster boven de deurtravee en een houten laadvenster boven de vierde travee.
Verschillende ijzerzandstenen elementen: de hoekband links en resten van de plint.
Verankerd bakstenen gebouw, voorzien van ijzerzandstenen steigergaten, bakstenen rondboogvensters, een zoldervenster met ijzerzandstenen onderdorpel en een overluifelde rondboogdeur met een boog van ijzerzandsteen.
De recentere zuidgevel (watergevel) uit 1777 is voorzien van een zandstenen plint, hoekstenen en rechthoekige vensters in een vlakke, zandstenen omlijsting.
De noordelijke zijgevel is voorzien van een aandak met vlechtingen.

Het mechanisme
a. Buitenwerk
Het sluisgestel en de stoel zijn verbouwd in beton.
IJzeren onderslagrad (20ste eeuw), met houten schoepen
Eikenhouten molenas met gietijzeren pen op een voet in snelbouwsteen met cement. De peulen en het blok waren in 1981 al verdwenen

b. Binnenwerk
Houten staande werk, met balk gedateerd "1760".
Houten drijfwerk. De binnenpen van de houten molenas draait in een houten lager. De draaibeweging van de molenas wordt overgebracht door een groot verticaal kamwiel naar een houten rondsel op de verticale spil. Het groot spoorwiel drijft twee horizontale rondsels op ijzeren staakijzers aan. Opmerkelijk is dat deze laatste overbrenging zich boven de twee maalgangen (steenkoppels in houten steenkisten) bevindt. Aldus is er bovenaandrijving, zoals in een windmolen.
In het dakgebint bevindt zich een kalander voor het ophalen van de maalstenen.

Aan de overzijde van de straat staat een hoevegebouw van zes traveeën met stallen en een dwarsschuur, ingekort aan de rechterzijde. Grotendeels versteende vakwerkbouw onder zadeldak met mechanische pannen. Rechthoekige muuropeningen onder houten lateien.

<p>Rotemse Molen<br />Molen van Rotem</p>

Foto: Urbain Radelet, Holsbeek, 2006

<p>Rotemse Molen<br />Molen van Rotem</p>

Foto: Urbain Radelet, Holsbeek, 2006

<p>Rotemse Molen<br />Molen van Rotem</p>

De vistrap op de Velpe. Het waterrad werd verwijderd. Foto: Harry Van Royen, 15.09.2009

<p>Rotemse Molen<br />Molen van Rotem</p>

De vistrap nog in het droge. Foto: Harry Van Royen, Hamme, 13.05.2009

<p>Rotemse Molen<br />Molen van Rotem</p>

Prentkaart uitgave Albert, drukkerij Frederickx, Halen, ca. 1950. Verzameling Ons Molenheem

Literatuur

Denewet Lieven, "Inventaris van de Limburgse watermolens met hun pegelhoogtes (1846-1849)", Molenecho's, 39, 2011, 2, p. 81-108.
Heemkring "Oppidum Halensis".
Holemans Herman, "De watermolen van Rotem te Halen" in: Ons Molenheem, 1996, nr. 4, p. 27-29. Holemans Herman & Werner Smet Werner, "Limburgse watermolens. Kadastergegevens: 1844-1980", Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem, 1985, p. 29.
Monasticon Belge, VI, Province de Limbourg, Luik, 1976, p. 188-193.
Pacquay J., "Les ventes des abbayes limbourgeoises", Bulletin de la Société scientifique et littéraire du Limbourg XLII, 1928, p. 35, en XLIII, 1929, p. 69.
Schlusmans F. m.m.v. Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch., "Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N1 (A-Ha)", Brussel - Gent, 1981.
Van den Hove d'Ertsenryck H. & Verhelst K., "Kort overzicht van de molen van Rothem", in: Oost-Brabant, Heemkundig tijdschrift voor Hageland en omgeving, jg. 18 (1981), p. 46-48.
Van de Velde, E., Deville, T. & Houbrechts, S., Velpe te Halen (gem. Halen). Archeologisch onderzoek door middel van boringen, verkennende fase, onuitgegeven rapport, Vlaamse Milieumaatschappij, 2010.
Van Doorslaer Bert, "Met de stroom mee of tegen de wind in? Molens in Limburg", Borgloon/Rijkel, Provinciaal Centrum voor Cultureel Erfgoed, 1996, p. 35.
Van Ryckeghem R., "Twee Limburgse niet-beschermde watermolens: Halen en Houthalen", Molenecho's, XXXI, 2003,nr. 4, p. 275.
Vrijens P., De Cisterciënzerinnenabdij van Rothem bij Halen, van de stichting tot 1779, licentiaatsverhandeling, Leuven, 1970.

Mededeling Hubert Bovens, Zutendaal, 01.09.2008.

Persberichten
ADH, "Ruimtelijk uitvoeringsplan", Het Nieuwsblad, 13.02.2010.
GBO, "Molens worden opgeknapt", Het Laatste Nieuws, 14.11.2015.
"1,5 miljoen euro voor restauratie Vlaamse molens”, geertbourgeois.be (04.11.2015)


Laatst bijgewerkt: vrijdag 30 december 2016
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens