Molenzorg
Deurle (Sint-Martens-Latem), Oost-Vlaander...
Naam

Molentje van Cyriel Buysse

Ligging Muldersdreef
9831 Deurle (Sint-Martens-Latem)
toon op kaart
Geo positie 51.006367, 3.610643
Eigenaar Nadine Buysse, kleindochter van schrijver Cyriel Buysse
Gebouwd 1921
Type Staakmolen met open voet
Functie Korenmolen
Kenmerken Op halve grootte, kon ook water oppompen
Gevlucht/Rad Verwijderd: houten pestelroeden
Inrichting 1 steenkoppel
Toestand Gedemonteerd in 2004 voor restauratie
Bescherming M: monument,
6 juni 2001
Molenaar Geen
Openingstijden Nog niet
<p>Molentje van Cyriel Buysse</p>

Foto: Robert Van Ryckeghem, okt. 1998  

Beschrijving / geschiedenis

Deze kleine staakmolen werd opgetrokken in 1921 als graan- en waterpompmolen door de bekende Vlaamse schrijver Cyriel Buysse. Dit gebeurde ter vervanging van een staakmolen uit 1592, vernield in de eerste wereldoorlog. Dit molentje is gelegen aan de Muldersdreef 12 te Deurle, achter de villa (uit 1939) bewoond door mevr. Nadine Buysse.

De vorige staakmolen van Deurle werd opgeblazen door vier Duitsers uit Bremen, 's morgens om 5 uur, op 2 november 1918 (slechts enkele dagen voor de wapenstilstand). Dit werd door Cyriel Buysse erg betreurd. Er was niets meer aan te doen en molenaar Serafien De Baere liet in een advertentie vermelden dat alle overgebleven onderdelen zouden verkocht worden. Zo werd de gietijzeren askop, de staak, een stalen roede, een licht beschadigde Franse molensteen, de staart, de steenbalk, steekbanden en andere eiken balken verkocht. De dorpelingen mochten de rest komen afhalen als brandhout.

Door de vergoeding van de oorlogsschade voor de vernielde molen, liet Cyriel Buysse in 1922 op bijna dezelfde plaats een kleinere windmolen oprichten. Deze staakmolen werd op halve grootte gebouwd. Hij had aanvankelijk twee functies: graan malen en oppompen van water, om het palenhuis van water te voorzien. De vroegere molenaar Serafien De Baere kon een tiental jaren met het molentje malen. Als landbouwer kon hij wat voor eigen verbruik malen.

Nadat zoon René Buysse de molenberg met de molen in 1932 erfde, geraakte het molentje in onbruik. Hij verwijderde het palenhuis in 1939 en bouwde op dezelfde plaats de nog bestaande villa met rietdak. Na zijn overlijden in 1969 kwam het domein met de molen toe aan zijn weduwe en de kinderen Guy en Nadine Buysse. Ze lieten het molentje met zijn interieur ongemoeid. Wel is het houten wiekenkruis weggenomen.

Het molentje heeft een vrij hoge masardekap, bedekt met dakleer. De windweeg is ook bedekt met dakleer en versierd met baard onderaan. De kruisplaten zijn verankerd aan de teerlingen: met verticale stangen aan de binnenkant van de schoren. De buitentrap telt 12 treden en is vastgehecht aan het balkon. De staart loopt doorheen de buitentrap en er zijn papen en loopschoren. Er is geen kruiwerk aan dit molentje, omdat het molentje op de wind werd geduwd. Er is een doorboorde staak en kruisplaten, met doorgaande ijzeren spil die onder de staak een conisch ijzeren kamwieltje heeft voor de aandrijving van de (verdwenen) waterpomp. Er was een zeshoekige waterbak op de grond onder de molen. De steenbalk heeft geen brasem. Het verdwenen houten pestelgevlucht had 20 scheden per wiek en er waren rode molenzeilen. Het enige aswiel, het vangwiel, bezit stroparmen. Ijzeren hoepelvang zonder vangschoot, met vanghaak aan de rechterdaklijst. Sterrewiel met 12 houten kammen en ijzeren beslag rondom. Klein koppel molenstenen op een houten platform rechts achteraan in de meelzolder. Lichtmecanische met ezel en pasbalk en met een lichtvlegel in de dwarsrichting van het molenkot.

Einde 1998 bracht ondergetekende (LD) een bezoek aan het molentje, nadat Robert Van Ryckegem uit Brugge het molentje had bezocht en foto's nam. Er werd een afspraak gemaakt met Nadine Buysse, de eigenares van het molentje, om aan te tonen dat dit molentje kon gered worden van zijn ondergang. Op 6 juni 2001 werd het molentje wettelijk beschermd als monument en in de zomer van 2004 werd het gedemonteerd door molenbouwer Wieme uit Deinze, in afwachting van de restauratie.

Zie ook: Deurle, Deurlemolen, Molen van Deurle in database Verdwenen molens

Lieven Denewet, Hooglede

<p>Molentje van Cyriel Buysse</p>

Foto: Robert Van Ryckeghem, okt. 1998

<p>Molentje van Cyriel Buysse</p>

Foto: Lieven Denewet

<p>Molentje van Cyriel Buysse</p>

Molentje met schrijver Cyriel Buysse. Repr. verzameling Ons Molenheem

<p>Molentje van Cyriel Buysse</p>

Cyriel Buysse voor zijn molentje. Repr. verzameling Ons Molenheem

<p>Molentje van Cyriel Buysse</p>

Verzameling Ons Molenheem. Repr. verzameling Ons Molenheem

Aanvullende informatie

Torie Mulders (pseudoniem van Hector Vindevogel), "De windmolens tussen Schelde en Leie", in: Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXII, 1946-1948, p. 46-107 (75-77)(uitgegeven handschrift van ca. 1930).
Als ge de Gentsche baan volgende aan de vierschaar komt, 't is te zeggen waar de steenweg van Nazareth naar Deurle de baan kruist en dat ge tijd hebt en goesting om natuurschoon te genieten, gaat dan links de steenweg op, Leieweerd: 't is alsof de natuur hier in dat blake veld een lustoord heeft getooverd. Plots rijst de grond en op den tweesprong blijft ge staan. Langs waar nu?... Rechts?... daar rijst de torennaalde van een kerkje bachten het hout. Links: Door de kleuve tusschen de hooge barms spiegelt het blauwe van de lucht en lokt u te genieten van 't schoone vergezicht over Leie en meerschen en velden; in den einder de donkerte der bosschen.
Deurle! Deurle aan Leie!...
Aan de kronkelende, eeuwig lijze stroomende Leie, waar meester Gezelle zoo dikwijls, droomende langs de bochten, de schoonheid van ons Vlaanderen en van Gods heerlijke Schepping bezong.
Deurle, gij zijt de schoonste van de perels welke den Schepper met geheele grepen langs de gouden rivier strooide.
Links, benêen liggen de bootjes gemeerd aan den oever, waar joelende jonkheid op 't groene grastapijt het uitschettert; daar in de schaduw van de fruitboomen zitten de keurig opgeschikte moeders genoeglijk het spel van de dartelende kleinen, die door de beemden stoeien, gade te slaan; terwijl boven den barm, in de schaduw van de zonnestoors, met een pot bier de ouderen hunne keel ververschen en van daar uit wijsgeerig met welbehagen geheel dat gedoe bezien.
In de Leie zelve is 't volop leute, want er wordt over en weere gevaren, met of tegen stroom een eindje weegs geroeid, of stil drijvend op 't water gegleden en boven al dat jollige gewemel staart de molen met haar groote ronde oogen, geheel dat leven aan.
Ze stond op de hoogte in de Leiebochte waar heden de heer Cyriel Buysse, de meester van 't Vlaamsche woord, zijn houten woonste op palen bouwde: Het Eksternest.
Toebehoorende aan Serafijn De Baere, werd ze op Allerzielendag 1918 door de Duitschers omvergeworpen, op het oogenblik dat ze zelve door de bondgenooten over de Leie en terug geworpen wierden.
De molen beheersche de gansche streek, en alhoewel ze dagteekende van 1545 was ze bestand nog eeuwen te trotseeren.
De familie De Baere had dien post van vader tot zoon sedert 1760 betrokken, en Serafijn, de laatste mulder van de reeks, gevoelde zich te oud, hij is een zeventiger, om nog de taak van de wederpbouw eener windmolen op zich te nemen.
De heer Buysse heft ter plaatse een n ieuw houten moleke doen maken en 't gebeurt dat Serafijn nog eens de zeilen openschudt en ten zijnen gerieve - hij baat een klein landbouwbedrijf uit - eenige zakken graan maalt.
Mulder van den ouden stempel, meegegroeid met den nieuwen tijd, vind ik in Serafijn een voor mij lieve en vriendelijke figuur. Aan hem heb ik veel te danken nopens inlichtingen betrekkelijk de molens van zijne omgeving.
Op de steenbalk van de nieuwe Deurlemolen bracht de heer Buysse het opschrift aan:
       De molen vn Deurle heeft eeuwen gestaan,
       De molen van Deurle moet blijven bestaan.
In 't molenhuis prijkt nog eene penteekening van de verdwenen molen door den heer Moens uit Gent, leeraar aan de Nijverheidsschool. Ook gaat er Serafijn fier op, onder zijn vrienden te tellen zoo menig kunstmeester als: de heeren Cyriel Buysse, Valerius Desaedeleer, Hugo Vandenabeele, de Vandewoestijnen en zooveel anderen die in Deurle en Laethem huisden en kwamen.
De molen van Deurle werd door Mme Jonnaert, de welgekende kunstenares van bloemenschilderkunst, op het doek vereeuwigd. Dit kunststuk is in handen van de jongste zuster van Serafijn, Mw Wwe Vander Venne-Debaere, te Sint-Denys-Westrem.
Met weemoed sprak Serafijn nog van 't verdwijnen van de Eedemolen van Nazareth, te meer dat zijn overgrootvader van daar geboortig was.
Achter 't molenhuis, dat eigenaardig van trant dagteekent van 1665, stond waarschijnlijk de eerste woning die met de molen meeging; daar is nog altijd de plaats te verkennen waar steengrijs en metselkalk de stand van verdwenen gebouwen aanwijzen.

--------------------------

Cyriel Buysse over de dorpsmolen van Deurle
In de zomer van 1911 kocht Cyriel Buysse, die toen op zijn zomerwoonst in Afsnee verbleef, drie hectaren grond bovenop de Molenberg van Deurle. Eigenaar totdantoe was de molenaar Serafien De Baere[1], die evenwel de windmolen zelf in eigendom behield. 

Buysse liet er een klein werkhuis oprichten, dat hij voor het eerst zou gaan betrekken in de lente van 1913. Van 21 maart, de eerste lentedag, tot 5 november van dat jaar hield hij daar een dagboek bij. De tekst van dit dagboek verscheen in voorpublicatie in het dagblad Groot Nederland (maart - mei 1914) en in 1915 publiceerde uitgever Van Dishoeck de tekst in boekvorm[2]. Dat kleine atelier, hoog boven de omliggende Leievlakte, bleek een unieke observatiepost te vormen, van waaruit Buysse rondomrond een schittterend uitzicht had. Zijn dagboek, dat een spontane mengeling is van "rake observaties, lyrische impressies en mijmeringen", getuigt van een "liefdevolle aandacht voor de gang der seizoenen".

Het is evident dat de windmolen zelf in dat dagboek een prominente rol speelt. Bé Stolk, een dame uit Buysses Haagse vriendenkring die hem in oktober 1911 in Afsnee bezocht, beschrijft, na haar bezoek aan de Deurlese molensite, "de oude molen van donker hout, die vleermuisachtig zijn wieken uitspreidt tegen den heuvel [die] is begroeid met dicht, laag geboomte en boven is een plateau, van waar men ver in alle richtingen het panorama overziet. Maar de molen moet blijven bestaan; en de molenaar zal er zijn werk blijven verrichten"[3].

Verspreid over het hele dagboek, vermeldt Buysse de molen ruim veertigmaal[4], de ene keer al iets uitvoeriger dan een andere. Het bijzondere aan Buysses omgang met de molen bestaat erin dat hij hem personaliseert, als een autonoom wezen met een eigen ziel als het ware. Maar laten we eerst de auteur, Buysse zelf,  in dit verhaal introduceren. Op 29 april schrijft hij (pp. 61-62): "Op den rug lig ik uitgestrekt, met de ogen naar de hemel-blauwe lucht. De wind, die hard over mij heen blaast, doet de berkenheesters door elkander schudden. [...]  Over al die dolle wispelturigheid gaat telkens een der wentelende molenzeilen, als een geweldige tuchtroede in breden zwaai ten hemel op, alsof die oude, grijze werker daaromhoog het spel ten strengste laakt."

Die "oude, grijze werker" komt Buysse voor als een eenzame reus, een godenzoon, een  titaan (in de Griekse mythologie een zoon van Uranus en Gaia): "Wat een rust, wat een stilte. De oude, somber-grijze molen rijst in zijn eenzaamheid, gelijk een kalme, wijze Titan naar den hemel en door het latwerk van zijn roerloos-naakt-gekruiste wieken, die zo lang en zoveel hebben gewerkt, flonkeren de sterren als lieflijk zacht-strelende ogen." (2 april, p. 21). De seizoenen, met hun wisselende weersomstandigheden, blijken een grote invloed op het humeur van die oude reus uit te oefenen. Tijdens het noodweer (19 april, p. 46) bijvoorbeeld: "De oude molen werkt niet. Als met een brommig-stug gezicht staat hij naar dien woesten strijd der elementen te kijken. Zijn grijze, naakt-geraamte-wieken [d.i. zonder zeilen, P.H.] druipen van den regen en geheel zijn oude karkas schudt en trekt, alsof hij koorts heeft." Maar er werkloos bij staan doet de molen geen goed: "Mijn oude molen heeft sinds dagen niet gewerkt. Wat had hij toch? Was hij ook treurend over vervlogen illuzies, hij die reeds zoveel gezien en ondervonden heeft en weet hoe weinig blijft en hoe oneindig veel vergaat. [...] Nu staat hij stil en uitgekleed met zijn peinzend, oud gezicht naar 't purper-glanzend westen toegekeerd. Hij schijnt te mijmeren en te zuchten: ‘Ik ben zo oud en heb zoveel gewerkt; laat mij nu maar met rust.' De avond taant in grijzigheid en langzaam komt iets triestigs in de stille atmosfeer. De oude molen lijkt een teerbesnaard, fijnvoelend wezen, in stemming met den weemoed van het uur en de omgeving." (6 mei, pp. 75-76). En een andere keer, bij een loeiende lentestorm: "Mijn molenaar heeft zijn molen niet durven aankleden en het naakt, oud, grijs geraamte staat gans te trillen en te beven en de wilde stormlucht als 't ware nijdig aan te grijnzen. Ja, hij lijkt vertoornd, mijn oude, eerbiedwaardige molen. Hij schijnt verwoed te brom- men: ‘Waarom al dat nutteloos geweld dat mij toch niet deren kan.'" (12 juni, p. 125).  Of bij troosteloos regenweer: "O, dat grijs, eentonig watergieten van een eindloos-langen zomerregendag! Woei het maar, dan zou althans de molen leven. Maar ook die goede, oude reus staat daar vandaag roerloos en verlaten en het water zijpelt langs zijn lange, naakte, houten armen en heel zijn ruig-verweerde lichaam schijnt van overstelpend wee te schreien." (20 juni, p. 135).     

Maar dan komt, eindelijk, opnieuw het moment om aan het werk te slaan: "De wind steekt op en loeit; en mijn oude, grijze molen, die gisteren, als een mens, den gansen dag vol spannende belangstelling naar de bedrijvigheid der hooiers met gekruiste armen heeft staan kijken, kleedt zich nu aan en gaat aan 't werken." (24 juni, p. 139). Het vrolijke wiekenspel maakt de molen weer jong: "Mijn oude molen, die weken lang gerust heeft, zo, dat ik soms zijn bestaan vergat, is van morgen weer aan het werk gegaan. Het is een fris-heldere dag van wind en zon; en zoals hij daar staat, grijs en verweerd op zijn groenen heuvel, zwaaiend met zijn lange, roodbruine armen, lijkt hij gans opgewekt door nieuwe, jonge levenskrachten en bereid om nog eens forsig wind en stormen te trotseren. Reeds maalt hij 't jeugdig graan der verse oogsten; en hij schijnt vrolijk opgewekt en opgewonden, omdat de oogst zo overvloedig was; en met zijn rusteloze, lange armen roept en wenkt hij als het ware al dien rijkdom naar zich toe: den rijkdom van de tot den nok gevulde zolders en schuren. [...] Hij is de grote, machtige veelvraat van de ganse streek. Hij verslindt alles, álles... maar geeft ook alles weer terug, zacht en mild, als een weldaad. Hij is de ouwe, trouwe vriend van al wat om hem heen beweegt en leeft." (24 augustus, p. 221).

Het rondwentelend wiekenspel blijkt voor Buysse een bijzondere charme te hebben: "Van verre hoor ik het ritmisch gemor van mijn gonzenden molen, die dagenlang gerust heeft en nu werkt, bij nacht en regen, om de schade in te halen. O, die oude, plichtgetrouwe grijsaard, wat is het gezellig hem naast mij weer levend en trillend te voelen! Ik voel, meer dan ik zie, zijn lange, grote armen door de donkere lucht rondzwaaien en binnen in zijn grijs geraamte brandt nog eens zijn warm, oud hart: het smeulend lampje dat zijn nachtelijken arbeid verlicht." (7 oktober, pp. 277-278). Of op een andere keer, een paar weken later: "Er waait een zachte, stage bries en mijn oude molen werkt ritmisch-schermend met zijn lange, rode zeilen tussen al dat goud en blauw en purper. Ik hoor zijn innerlijk geronk en als ik mijn ogen sluit, is het alsof daar een grote, gezellige poes naast mij in koesterende warmte zat te spinnen." ( 22 oktober, p. 300).  Idyllisch-innig is ook het volgende tafereel: "Heilig stil en sereen daalt langzaam de avond. De grote, oude bomen staan reeds, in hun zwart geheim gehuld, te dromen en de antieke, grijze molen lijkt nu zo ijl en fijn, met het tralienet van zijn lange, naakte, kruiselings, als aanbiddende armen, ten gouden hemel uitgespreide wieken. Het heeft iets immaterieels. Het is alsof zij zich gespiritualiseerd had. En alles blijft zo stil, zo heilig stil." (4 oktober, pp. 273-274).

In het voorjaar hadden de molenzeilen, waarvan de rode bolusaarde al wat verkleurd was,  er nog grauwig bij gehangen: "Zijn grote wieke-armen, gans zwart, slaan zoevend door den grauwen hemel en in zijn binnenste brandt een zwak lichtje, nauw zichtbaar door de kijkgaten en spleten, alsof het de stille gloed was van een oud en taai-veerkrachtig hart." (5 april, p. 27). Later op het jaar heeft de molenaar de zeilen vernieuwd, eerst aan de ene wiek, en weken later aan de andere: "Mijn oude molen heeft nieuw doek over twee van zijn wieken gekregen. Het staat nog in zijn rauwe kleur; en zo, met zijn twee grijze en zijn twee rode zeilen, ziet mijn oude wijsaard er wel wat raar en eigenaardig uit. Hij ziet eruit of hij weggelopen was uit het oud-mannetjes-gesticht: zo'n oudje, dat nieuwe mouwen in zijn oud jasje heeft gekregen, en daarvoor door de straatjongens uitgelachen en gemolesteerd wordt. Doch niemand lacht hier om mijn molen op den Molenheuvel; en ernstig werkt hij ook aanhoudend door, alsof hij 't zelfs niet merkte dat er iets aan hem veranderd is." (21 september, p. 257). En dan: "De molen heeft zijn twee andere zeilen ook vernieuwd  gekregen. Nu werkt hij met vier grauwe armen en 't staat hem vreemd en enigszins genegligeerd, alsof hij zich vandaag de moeite niet gegeven had om zich behoorlijk aan te kleden. 't Is of hij zo uit zijn bed komt, met zijn nachtmuts en slaapkleren aan en zo meteen aan 't werk is gegaan." (30 september, p. 269). Tot dan een nieuwe, bruinrode boluslaag voor een verfrissende verrassing zorgt: "Wat doet mijn oude molen raar en grappig en wat brengt hij mij telkens weer nieuwe verrassingen aan! Al die dagen stond hij daar te werken, grijs van romp en grijs van zeilen, als een oude, stugge brommerd, die uit louter balorigheid zich niet meer behoorlijk aan wil kleden. En van morgen vroeg staat hij daar eensklaps weer in kersvers rood, bijna in 't roze-rood, ja, met haast iets wufts over zich, alsof hij zo maar van plan was er in zijn ouden dag nog eens flink op los te fuiven. Ach! Wat 'n laster en hoe kon ik zo iets van mijn goeden, trouwen grijsaard denken! De molenaar en zijn knecht hebben maar gewoon zijn nieuwe zeilen in het rood geverfd, opdat zij lang en stevig zouden dienst doen en hij gans den guren winter onbeschadigd mee zou kunnen werken. Niet voor de fuif, wel voor den stoeren, stuggen arbeid hebben zij hem zo opgemonterd." (3 oktober, p. 272). 

De molenaar en zijn oude knecht Vien (= Livinus?) duiken nog enkele andere keren in Buysses verhaal op. Zij ook zijn het die de molen moeten "kruien". Zoals op die mooie lentedag met felle wind:  "Het ganse landschap trilt van onstuimige levenskracht. Dat duurt zo gans den dag en met den avond komt geen rust. En zelfs mijn oude molen, die zonder verpozen sinds den vroegen ochtend heeft gewerkt en nu voor 't slapen-gaan wordt uitgekleed, schijnt nog geen rust te hebben, want de touwen klepperen en vibreren langs zijn naakte grijze wieken, als overspannen zenuwen die nog natrillen tegen de rammelende botten van een houterig geraamte. Met bezorgde blikken kijkt mijn molenaar in de asgrauw geworden lucht. Hij schudt het hoofd en begint met den kapstander het oud, log gevaarte naar een andere windstreek te keren. De molen kraakt en kreunt geweldig, alsof hij zich slechts met weerspannigen tegenzin liet behandelen. De nacht valt in en 't woord is aan de losgeketende elementen. [...]  Tien uur. De nacht is pikdonker en de wind loeit vervaarlijk om mijn hoog en eenzaam huisje. Wat kraakt en knarst er daarbuiten zo klagelijk? Ik schuif 't gordijntje weg en kijk. Alweer die oude, grijze molen. Wat is hij onrustig vanavond! Hij, die eeuwenoud is, hij die al zoveel heeft meegemaakt, wat voelt hij toch voor dreigend-onheilspellends dezen nacht? Voor de tweede maal wordt hij naar een andere windrichting gekeerd. Mijn molenaar en zijn knecht, den hals omwonden met bouffantes, de oorkleppen neergetrokken, hangen en zwoegen bij 't dansend licht van een lantaarn, aan den kreunenden en kermenden kapstander. De molen gehoorzaamt, als een groot log beest, dat gans ontredderd is en geen eigen wil meer heeft." (11 april, pp. 36-37). Ook het ontrollen en opleggen van de molenzeilen, en het weer oprollen ervan (door Buysse het "uitkleden" genoemd) behoort tot de dagelijkse taken van de mulder. Zoals in deze korte notitie, over een onweer met neerslaande bliksems: "Mijn molenaar heeft in alle haast zijn molen uitgekleed. Nauwelijks is hij weer boven en binnen, loerend door de kijkgaten van 't oud geraamte, of daar pletst de regen neer [...] en onmiddellijk daarop een stortvloed." (1 juni, p. 109).

Buysse observeert de molenaar, maar bemoeit zich niet met diens werkzaamheden.  Het is alsof hij bewust nalaat een voet te zetten in de molen zelf. Daarom ook dat in zijn dagboeknotities elke beschrijving van het inwendige van de molen ontbreekt. Het enige wat ons een suggestie geeft van het leven binnen het molenlijf, is het avondlijk of nachtelijk lichtje dat naar buiten schijnt. Zoals b.v. in deze passage: "Een stevige, zacht-frisse, gelijkmatige wind blaast uit het helder zuiden; en, schoon mijn oude molen heel den dag gewerkt heeft, nog blijft hij doorwerken, gans somberzwart tegen het twinkel-lichtend firmament, met in zijn oude, grijze binnenste het rode lichtje van zijn laten arbeid, het lichtje dat daar brandt, vagelijk zichtbaar tussen de gaten en de spleten, als het steeds warm en moedig hart van zijn taai, verweerd geraamte. [...] 't Is of hij dubbel leefde, nu, met stugge energie. Zijn krakend ingewand trilt van den stagen, noesten arbeid en zijn grote, lange, zwarte armen maaien, telkens, met hartstochtelijk gebaar, de sterren in den schitterenden hemel weg, alsof hij die, in vurig-smachtend en illuzievol verlangen, naar zich toe wou halen. Wat is hij groot en schoon vanavond!" (29 oktober, p. 312).

Een molen met "een warm en moedig hart"! Maar ook Buysse zelf, een man met een hart voor de molen. Zijn dagboek, waarin de molen zich als een levend, handelend personage gedraagt, noodt tot gul en overvloedig citeren. Maar we moeten onze citatenoogst toch enigszins beperken, in de hoop dat de lezers naar Zomerleven zelf zullen grijpen om het helemaal door te nemen... Eén langer, heel uitvoerig fragment nog nemen we op in het tekstkader hieronder. Dit fragment, gedateerd 3 november, net voordat Buysse dat jaar zijn Molenberg verlaat om de winter weer in Den Haag te gaan doorbrengen, is bijzonder interessant omdat Buysse hierin ook een en ander meedeelt over de geschiedenis van de molen, eertijds bemalen door "den alom-beruchten-en-geduchten molenaar Van Keirsbilke" (p. 321), een "stoere, roekeloze kerel", die bij geweldig stormweer tijdens een "afgrijselijken Novembernacht... den molen, [met] volle doek op, maar liet draaien als een tol", totdat plots "het ganse kruis met as en wielen uit de kap [werd] weggerukt en daar beneden in de diepte van het bos krakend neerplofte". Episch tafereel, ongetwijfeld, maar zoals in menig oud epos gedroegen de protagonisten zich niet altijd zo wijs als door de omstandigheden vereist.

Het valt op, heel Zomerleven door, hoezeer Buysse zich met de molen zelf danig vereenzelvigt. Ofschoon zelf geen eigenaar, heeft hij het voortdurend over "mijn oude molen", die hem bijna een vader is. Zoals in deze korte beschouwing (27 oktober, p. 308): "Wat doet het goed na die beproeving weer terug te keren bij den ouden grijzen molen, die daar in de sombere schemering op mijn komst schijnt te wachten, als een grijze, wijze aartsvader, die de ongerijmde uitspattingen van zijn zoon afkeurt, zonder die met geweld te willen dwarsbomen. Hij ziet er anders wel wat tragisch uit, vanavond, met zijn bijna zwartdonkere gekruiste wieken, tegen die lange, zwavelblonde lichtstreep en die grijze wolkenbergen aan de westerkim. Hij staat daar als een donkere toren, als een reuzenschildwacht op den uitkijk en hij schijnt dingen te zien komen, die wij nog niet kunnen ontwaren." Of nog, twee dagen later (29 oktober, p. 313): "Mijn oude molen staat roerloos, met het donker tralienet zijner vier naakt-gekruiste wieken, tegen den prachtig-tintelenden sterrenhemel. De stage, vaste wind suist nog steeds om hem heen en uren zou hij nog wel kunnen werken; maar hij rust nu, hij heeft zijn lange taak volbracht en staat te dromen en te mijmeren, hoog en sereen in de glorie en de weelde van het omringend schouwspel. De sterren, waar hij uren lang met zijn smachtende armen heeft naar gegrepen, trillen nu als het ware door het kruisnet zijner naakte wieken.  Zij  wemelen  en  leven  en schijnen  hem mysterieuze dingen toe te fluisteren, die hij begrijpt en voelt. Ik moet hem nog eens van nabij aanschouwen, hij leeft intens vanavond; en waar ik zo alleen in de nachtelijke stilte onder zijn oud, verweerd geraamte  sta, [...]  komt  het  mij  eensklaps voor alsof ook hij, de oude, grijze wijzaard tot de sterren spreekt en of de levend-tintelende sterren hem verstaan en antwoorden..."  Buysse raakt hier, onder die mysterieuze nachtelijke sterrenhemel, bijna huiverend aan een a.h.w. metafysische dimensie waarvoor men alleen maar eerbied hebben kan. En zijn molenproza behoort, hoe dan ook, tot het diepst doorvoelde waartoe de schrijver in staat is gebleken.

De verdere geschiedenis van de Deurlese windmolen is bekend. Tijdens de oorlog om militair-strategische redenen verwoest, werd hij in zijn oorspronkelijke vorm nooit meer heropgetrokken. Op de Molenberg kwam in 1922 een kleinere miniatuurmolen ("Buysses Molentje"), die na een lange periode van verval uiteindelijk toch kon gered worden dank zij een in 1999 door de vzw Molenzorg Vlaanderen ingezette reddingsoperatie[5], die gelukkig uitliep op een officiële bescherming van de molen als monument (datum: 06.06.2001) en een daarop gevolgde demontage en opslag (2004) in afwachting van een restauratie. Driekwarteeuw na Buysses dood († 1932) blijft zijn geliefde erfgoed veilig bewaard, terecht, zoals het overigens hoort.

Zie Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oost-Vlaanderen naar gegevens van het Archief van het Kadaster. Tweede  aflevering: Arrondissementen Eeklo en Gent (Gent, Provinciebestuur,  1962, Kultureel Jaarboek 1961, Bd. 2, p. 67 (4.14.A, Deurle, Houten windmolen, Sectie A nr. 256, art. 74, afb. 61). Omstreeks 1830, bij de vorming van het Kadaster, was de molen in het bezit van dhr. Poelman-Haelman, burgemeester van Deurle. Vóór 1838 kwam de molen, door aankoop, in het bezit van Pieter-François De Baere, mulder te Deurle, en in 1907, door erfenis, aan Serafien De Baere, die de grond rond de molen in 1911 aan Cyriel Buysse verkocht.

De dag is dof en grijs geweest, maar met den avond stijgt de wind op en plotseling is 't een krakend onweer, met verblindende bliksemschichten en ratelende donderslagen. Ik blijf maar 't liefst niet boven op den heuvel; ik vlucht de helling af, naar 't huisje van mijn molenaar.

  Het ondweder woedt vervaarlijk. De regen gutst bij stromen neer en hemel en aarde beven.

 In het ouderwetse huis, somber en laag-gebalkt, waar veel tin en koper aan de muren hangt en waar een oude, grauwe klok traag de stonden tikt, zitten de molenaar, zijn vrouw en Vien, de oude knecht. Bij elken bliksemstraal die even de harten-aasjes der gesloten luiken in vuur zet, maakt de vrouw benauwd het kruisteken, maar de mannen doen dat niet en spreken en vertellen met gedempte stemmen van vroeger noodweer en van alles wat de oude molen in den loop der tijden meegemaakt en getrotseerd heeft.

  Vooral de oude Vien weet daarvan mee te praten. Hij is zó oud, dat hij niet alleen bij mijn molenaar, maar ook bij diens vader, en zelfs bij zijn voorzaat, den alom-beruchten-en-geduchten molenaar Van Keirsbilke lange jaren gediend heeft. Vien leunt met zijn beide armen op de roedjes van de kachel en onder de klep van zijn enorme pet blikkeren zijn ogen vreemd in zijn grijsachtig-grauw, als 't ware beschimmeld gelaat. Hij rookt uit een stompje zwart-doorgebrande pijp en af en toe, onder 't vertellen, streelt hij machinaal, met zijn knokkig-bevende hand, over den rug van Mina, de poes, en van Klako, het hondje, die samen naast hem op één stoel te slapen liggen. Hij vertelt van Van Keirsbilke en hoe die stoere, roekeloze kerel, telkens als er storm of onweer was, als 't ware dol werd. Terwijl alle andere molenaars met angstige haast ontzeilden, zette Van Keirsbilke volle doek op en liet den molen maar draaien als een tol. Eens, op een afgrijselijken Novembernacht, was Vien aldus met Van Keirsbilke aan 't werk. De storm brulde zó geweldig, dat men daar beneden in het dorpje, de pannen van de daken hoorde ratelen en de molen stond als 't ware op zijn staak te dansen, zó, dat ze geen enkel ogenblik overeind konden blijven zonder zich ergens aan vast te klemmen. Vien werd bang. ‘Boas, loat ons toch ontzeilen,' smeekte hij Van Keirsbilke. En met bevende hand omklemde hij het remtouw. Maar Van Keirsbilke werd woedend. ‘Os g'aan de vaaa' durft trekken, smijt ik ou langs den trap beneên!' brulde hij. Vien liet de ‘vaaa' los. En op hetzelfde ogenblik was het alsof de wereld verging: een afschuwelijk gekraak bulderde door den stormnacht, de ganse molen sprong met een ruk van rechts naar links, terwijl een vervaarlijke reuzengedaante door de donkere lucht vloog en daar beneden in de diepte van het bos krakend neerplofte. Het ganse kruis was met as en wielen uit de kap weggerukt!

  Vien glimlacht, met een kort, schor lachje, terwijl zijn bevende, houterige hand, even over den gestrekten rug van Klako streelt. Mijn molenaar hoofdknikt beamend en ook zijn vrouw knikt, even met een angstgezicht opkijkend naar de grijze luiken, waar alweer een verblindende straal de harten-aasjes heeft in vuur gezet.

  ‘Tuttuttut, de meulen zelf es blijve stoan en hij zal d'r nog wel lange stoan,' besluit Vien ongestoord; en even staat hij gebogen, met inspanning op, om zijn pijp, die onder het vertellen uitgegaan is, weer aan te steken.

  Het onweer trekt af. Verder en doffer rommelt de donder en met langere tussenpozen staan de harten-aasjes der blinden in vuur. Vien zit weer snakkend aan zijn pijp over de roedjes der kachel geleund en zijn ogen, die schel blikkeren onder de klep der grote pet, schijnen nog strak te staren naar de griezelige dingen, die hij, zo lang geleden, meemaakte.

  Mijn molenaar staat op en gaat naar buiten kijken. Ik volg hem op den drempel. Het regent niet meer en in het zuiden, onder de zware, wegdrijvende wolkenbalken, ontbloot zich reeds een heldere lap van donkerblauw azuur, waarin de sterren tintelen. Alleen in 't verre noorden licht het nu, verblindend en vervaarlijk, in kronkelende en slingerende schichten, die even ganse chaotische wolkenmassa's met een helblanken vuurnaad omzomen, of in een enkelen pijlrechten straal, van uit den hogen hemel tot in 't diepste van de aarde schijnen te boren.

Cyriel Buysse, Zomerleven, Van Dishoeck, 1915; 1929²; 2006³. De hier opgenomen tekstcitaten zijn ontleend aan de recentste editie van 2006, met een interessant Nawoord  (pp. 335-344) door Joris Van Parijs, de auteur tevens van een voortreffelijke Buysse-biografie (2007).

[3] C. Buysse, Zomerleven (2006³), p. 338.

[4] We beperken ons tot een vermelding  van de belangrijkste fragmenten, zoals opgenomen in: Id., ibid., resp. pp. 21 (2.IV.1913), 23 (3.IV), 27 (5.IV), 36-37 (11.IV),  46 (19.IV), 58 (27.IV), 61-62 (29.IV), 75-76 (6.V), 104 (27.V), 109 (1.VI), 125 (12.VI), 135 (20.VI), 139 (24.VI), 221 (24.VIII), 244  (12.IX), 257 (21.IX), 266 (28.IX), 269 (30.IX), 272 (3.X), 273-274 (4.X), 277-278 (7.X), 300 (22.X), 308-309 (27.X), 312-313 (29.X) en 321-323 (3.XI). Een tekstuele afdruk van alle molenvermeldingen vindt men bij Lieven Denewet, "Voorstel tot bescherming van het ‘Molentje van Cyriel Buysse' te Deurle", Molenecho's, jrg. XXVII, afl. 3 (juli-sept. 1999), pp. 129-136, daar geciteerd uit: C. Buysse, Verzameld Werk, dl. VI (Brussel, Manteau, 1980), pp. 1-178. 

[5] Zie het in noot 4 vermelde beschermingsdossier door Lieven Denewet, in: Molenecho's , XXVII,3, pp. 120-145.

Literatuur

Lieven Denewet, Voorstel tot de bescherming van het "Molentje van Cyriel Buysse" te Deurle", in: Molenecho's, XXVII, 1999, nr. 3, p. 120-145.
Torie Mulders (pseudoniem van Hector Vindevogel), "De windmolens tussen Schelde en Leie", in: Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXII, 1946-1948, p. 46-107 (75-77)(uitgegeven handschrift van ca. 1930).
Lieven Denewet, "Het "Molentje van Cyriel Buysse" te Deurle", Het Land van Nevele, XXXI, 2000, 1, p. 27-39.
C. Buysse, "De molen van Deurle", in: De Haagsche Post, 8 februari 1919;
C. Buysse, "De houten molen van C. Buysse te Deurle", in: Toerisme, VIII, 1929, p. 483;
R. Van den Plaetsen, "De molen van Cyriel Buyse en zijn voorzaat", in: Berichten van de Heemkring Scheldeveld, IV, 1972, p. 2-4;
Torie Mulders, "De windmolens tussen Schelde en Leie", in: Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXII, 1946-1948, p. 46-107;
"Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oost-Vlaanderen naar gegevens van het Archief van het Kadaster. Tweede aflevering. De arrondissementen Eeklo en Gent", in: Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen, XV, 1961, 2 (Gent, 1962);
Herman Holemans, "Oostvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 2. Gemeenten D-E", Rotem, Studiekring Ons Molenheem, 1998;
U. Van den Heede, "Korenwindmolens te Deurle", in: Berichten van de Heemkring Scheldeveld. Driemaandelijks tijdschrift voor lokale geschiedenis van de streek tussen Leie en Schelde, Sint-Martens-Latem, jg. 8, 1976, p. 4-11, ill.;
Urbain Van den Heede, "Geschiedenis van Deurle", Sint-Martens-Latem, Gemeentebestuur, 1992, 374p., ill.;
Alain Goublomme, "De windmolens van Deurle", in: Levende Molens, jg. 28, nr. 3, maart 2006, p. 28-29, ill.
OSW, "Cyriel Buysse", in: Het Nieuwsblad, 20.02.2009.


Laatst bijgewerkt: vrijdag 14 december 2018
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens